Zeven toparchitecten voor project in Via Giulia

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Er zitten nog welgeteld zeven internationaal vermaarde architecten in de competitie die als einddoel heeft een einde te maken aan de lege plek die de omgeving van Piazza della Moretta vandaag vormt in de Via Giulia. In deze laatste, één van de mooiste renaissancestraten van heel Rome, bezaaid met de vindingrijkheid en genialiteit van alle grote bouwmeesters uit de renaissance, werd begin vorige eeuw de sloophamer ingezet om een kruispunt en een paar extra straten aan te leggen.

De bouwkundige wonde in de Via Giulia die door het verdwijnen van enkele huizen ontstond is nooit echt geheeld, al hebben de bewoners en toeristen van vandaag deze omgeving nooit anders gekend. Het is pas wanneer je er op let dat je beseft dat hier iets fundamenteel is weggehaald. Het project vormt een enorme architecturale uitdaging.

De Via Giulia, aangelegd door paus Julius II in 1508, is verbonden met alle grote namen uit de renaissance, gaande van Michelangelo tot Borromini, van da Sangallo tot Maderno. Het stadsbestuur wil de oude structuur terug in ere herstellen maar dat kan natuurlijk niet zomaar. Het project vormt een enorme uitdaging voor de architecten die hun door de hedendaagse tijd gekleurde visie moeten verzoenen met de middeleeuwse structuur van de straat.

Alle hoop om de leegte tussen Lungotevere dei Tebaldi en de Largo della Moretta op te vullen is nu gevestigd op de zeven overblijvende internationaal vermaarde architecten die een concreet ontwerp hebben ingediend. Het gaat om Paolo Portoghesi, Aldo Aymonino, David Chipperfield, Stefano Cordeschi, Roger Diener, Franco Purini en Giuseppe Rebecchini. Vorige week werden hun ideeën aan het publiek voorgesteld in de Ara Pacis. Het stadsbestuur moet nu de knoop doorhakken.

Het plan voor de heraanleg van de omgeving ontstond in 1909. Het was de bedoeling een nieuwe en vlottere verbinding te creëren tussen de Chiesa Nuova en de Regina Coeli-gevangenis aan de overzijde van de Tiber. Daarvoor moesten onder meer Palazzo Ruggia en Casa Incoronati wijken.

De werken werden wel aangevat maar door allerlei omstandigheden is de geplande weg echter nooit volledig afgebouwd. Daardoor blijft de Via Giulia tot vandaag zitten met een kruispunt dat hoegenaamd geen doel heeft en een pleintje dat eigenlijk geen plein is maar een nutteloze leegte.

De zeven architecten bekeken de oorspronkelijke ontwerpen uit de middeleeuwen maar uit de ontwerpen blijkt dat er hoe dan ook een hedendaags stukje architectuur aan de omgeving zal worden toegevoegd. Er bestaat ook grote onenigheid over de mogelijke bouw van een ondergrondse parkeergarage op deze plek, een werk dat gezien de grootschaligheid in één moeite zou kunnen worden uitgevoerd. Het stadsbestuur wil er eentje, het merendeel van de bewoners zien een dergelijke ingreep op deze plaats niet zitten, evenmin als de studenten van de aangrenzende Virgilio-school.

Het gekozen ontwerp hangt gedeeltelijk samen met de toekomstige bestemming van de nieuwe, nog te realiseren gebouwen. Die is dus nog niet duidelijk. Sommige ontwerpers zien wel wat in een aantal studentenwoningen, gebouwd rond een tuin die dan ook toegankelijk zou zijn voor wijkbewoners.

Ook de gebruikte materialen variëren nogal, gaande van travertijn tot staal en glas. Anderen zien meer in een soort stedelijke wandelgalerij, waarbij de voorkant zou fungeren als een soort openluchtmuseum met archeologische vondsten die destijds in deze buurt gevonden zijn. Daarmee is nooit iets noemenswaardig gebeurd. Ze zijn opgeslagen en verspreid in de kelders van diverse magazijnen, waaronder het voormalige slachthuis in Testaccio en de Centrale Montemartini.

Het is zonde om tijdens een bezoek aan Rome eens niet door de Via Giulia te wandelen. Behalve tal van fraaie gebouwen vind je er ook heel wat interessante kerken terug. De Via Giulia loopt ongeveer parallel met de Tiber en werd van 1503 tot 1508 aangelegd door Donato Bramante op bevel van paus Julius II die de straat ook zijn naam gaf.

Op de westelijke oever van de Tiber bevonden zich aanvankelijk slechts twee stadswijken, de Città Leonina, met de Sint-Pieter, het Vaticaan en de Borghi, en Trastevere, gelegen aan de voet van de Monte Gianicolo.

Het was ook onder Julius II dat in een rechte lijn, op enige afstand van de Tiber, de Lungara werd aangelegd, dit als antwoord op de Via Giulia aan de andere zijde van de rivier. Aan de Via Giulia ontstonden diverse renaissancepaleizen; de bebouwing van de Lungara zou zich voornamelijk beperken tot kleinere kloosters en burgerhuizen.

Beide straten moesten vooral de toenmalige volksbuurten saneren: de Via Giulia doorsneed de Regola, een wirwar van smalle pittoreske straatjes, waarvan er nog heel wat bestaan.

De wijkbewoners vierden in 2008 het 500-jarig jubileum van hun straat. Maar vijfhonderd jaar betekent in Rome eigenlijk niet zoveel. Vergeleken met sommige andere straten werd de Via Giulia zelfs vrij laat aangelegd.

De bedoeling was, tegelijk met de sanering van de wijk, vooral ook een snelle toegangsweg naar het Vaticaan te verwezenlijken voor de vele duizenden pelgrims die naar Rome kwamen.

Voordat de straat werd aangelegd, konden de bedevaarders het Vaticaan vanuit deze richting enkel bereiken door de smalle Via del Pellegrino en de Via dei Banchi Vecchi. Deze steegjes, die tot vandaag hun charme hebben behouden, waren destijds berucht wegens de grote aantallen zakkenrollers die in deze steegjes hun werkgebied hadden.

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de architect Bramante ook alle gebouwen in de straat zou ontwerpen, dit om één architectonisch geheel te creëren. Dat plan ging echter niet door. Toen de straat voltooid was, waren de huizen er nog goedkoop en veel artiesten, waaronder de schilder Rafaël en architect da Sangallo, kwamen in de Via Giulia wonen.

De gebouwen aan de westzijde hadden toen nog tuinen die tot vlak aan de Tiber reikten. De Via Giulia werd al gauw één van de meest exclusieve straten van Rome. Dat is vandaag nog zo.

Het is één van de weinige (bijna) autoarme straten van Rome, waar je leuke winkeltjes, kunstgalerijen, antiekzaken maar ook diverse regeringskantoren aantreft. Ook de anti-maffiabrigade van Rome is gehuisvest in deze straat, net als het Museo Criminologico, in het Palazzo del Gonfalone.

Zowat de hele straat is zoals gezegd het bezichtigen meer dan waard, maar neem vooral een kijkje in de kerk van San Giovanni dei Fiorentini (ter hoogte van het Piazza dell’Oro). Hoewel minder rijkelijk dan de Santa Maria sopra Minerva (de oorspronkelijke Florentijnse kerk) aan de gelijknamige Piazza, zijn vrijwel alle grote kunstenaars uit de Renaissance en de barok op een of andere manier met deze kerk verbonden.

De gevel is van Allessandro Galilei. Jacopo Sansovino tekende voor het eigenlijke ontwerp van de kerk. Na zijn dood werd het werk voorgezet door Antonio da Sangallo de Jongere. Giacomo della Porta voltooide het gebouw en Carlo Maderno bouwde de koepel.

Het koor en het roodmarmeren altaar is van Pietro da Cortona en Borromini, verfraaid met beelden van Bernini. Zowel Maderno als Borromini liggen overigens in deze kerk begraven. Filippo Neri, de patroonheilige van Rome, was de eerste priester van deze kerk.

Wie de moeite doet hier wat rond te kijken zal nog veel meer grote namen aantreffen. Opmerkelijk is dat in deze kerk dieren binnen mogen. Vroeger waren er hier weleens dierenwijdingen, vandaag beperkt dit middeleeuwse gebruik zich tot een schaarse bezoeker die eens een hond meeneemt in de kerk.

Ook zeker de moeite van het bekijken waard in de Via Giulia: het Palazzetto (op nummer 79), het Palazzo Sacchetti (nr. 66), de Chiesa di San Biagio della Pagnotta (ter hoogte van de Via dei Bresciani), het Palazzo Ricci (Via Giulia 146), het Palazzo Cisterna (nr. 163), de kerk van Santa Caterina da Siena (ter hoogte van de Via dell’Armata), het Palazzo Falconieri (Via Giulia 1) en de Fontana del Mascherone (ter hoogte van de Via del Mascherone).

De Arco dei Farnesi uit 1603 aan de achterzijde van het Palazzo Farnese is een verhaal apart. Het was ooit de bedoeling om dit gebouw te verbinden met de Villa Farnese aan de overzijde van de Tiber, maar meer dan de boog over de Via Giulia is er nooit gebouwd. De Farneseboog heeft geen enkele functie, maar geeft, ook al omwille van de mooie plantengroei, de straat toch een fijn extraatje.

Een beetje luguber buitenbeentje is de Chiesa di Santa Maria dell’Orazione e Morte (op nr. 261). Op de deuren en ramen zijn gevleugelde schedels te zien. Naast de deur bevindt zich een geraamte met een zandloper en een skelet dat naar de tekst ‘Hodie mihi, cras tibi’ wijst (heden ik, morgen gij).

In de zestiende en zeventiende eeuw werden hier meer dan 8.500 niet geïdentificeerde doden begraven (meestal drenkelingen of onbekende slachtoffers van moordende overvallen). Die ongelukkigen kregen hier toch nog een christelijke begrafenis.

Maar in de crypte van de kerk werden later met hun botten bizarre versieringen en patronen gevormd, zoals kruisbeelden van schedels, lampen van wervels, enz. Het is een beetje vergelijkbaar met de ruimte in de Kapucijnenkerk Santa Maria della Concezione aan de Via Veneto, al is die laatste veel kleiner.

De crypte van de Santa Maria dell’Orazione e Morte is niet vrij toegankelijk. Je kan ze wel bezoeken mits aanvraag bij de priester en enkel na de kerkelijke dienst.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 15 februari 2011. Bekijk het origineel.