Enkele dagen geleden kon je een uitgebreide bijdrage lezen over de Thermen van Diocletianus, één van de vier Museo Nazionale Romano. In dit museum is recent een nieuwe restauratiefase afgerond. Het gaat om de zogenaamde Hal XI die sinds kort voor het eerst wordt opengesteld voor het publiek. Meteen kan je ook, en dit voor het eerst in meer dan 50 jaar, de grootste mozaïek uit het oude Rome die in de hoofdstad bewaard bleef, opnieuw bekijken. De Thermen van Diocletianus die, alleen al omwille van de locatie, tot één van de fraaiste musea van Rome behoren, onthullen na een langdurige restauratie opnieuw één van de tot dusver verborgen juwelen. Wie het museum kent is vooral vertrouwd met de kolossale architectuur van een gedeelte van het gebouw.
Die dateert nog uit de tijd dat keizer Diocletianus geniale architecten de opdracht gaf om op deze plaats een nieuw staaltje van de vernuftige Romeinse waterbouwkunde te realiseren. De Thermen van Diocletianus zouden de grootste uit de oudheid worden. Ze omvatten vrijwel de volledige oppervlakte van het huidige Termini-spoorwegstation en strekten zich uit tot ongeveer ter hoogte van de Mozesfontein, vlakbij de Santa Maria della Vittoria.
Hal XI, die nu wordt opengesteld voor het publiek, werd in de oudheid gebruikt als waterreservoir voor het keizerlijke badcomplex. Tijdens de restauratie werden de voorbije jaren nog talrijke tot dusver onbekende sporen gevonden van de oorspronkelijke thermen. Archeologen hebben er heel wat uit geleerd. Ondermeer het systeem waarmee de wateropeningen werden afgesloten en het materiaal dat werd gebruikt om de watertank volledig hermetisch af te sluiten leverden nieuwe inzichten op.
De watertank werd waarschijnlijk gebruikt om indien nodig het watervolume van het buitenzwembad te verhogen. Op zeker ogenblik volstond de hoeveelheid aangevoerd water niet meer om alle gedeelten van de enorme thermen te bevoorraden, waarna de Romeinen reusachtige watertanks bouwden die bij tekorten als reserve moesten fungeren.
De grootste publiekstrekker in de nieuwe hal XI wordt waarschijnlijk de grote mozaïek, die opnieuw werd samengesteld op de oorspronkelijke vloer van de thermen en die je kan bekijken vanaf glazen platen. De mozaïek werd in 1931 ontdekt in de Villa van Nero in Antium, het huidige Anzio, op zowat 50 km van centrum Rome, en bleef al die tijd opgeslagen in de stedelijke magazijnen omdat men niet direct een bestemming kon verzinnen waarbij de mozaïek aan het publiek kon worden getoond. Het gaat om een beeltenis van een zegevierende Hercules uit de 2de eeuw na Chr. van zowat 80 m² groot, wat de mozaïek meteen tot de grootste in zijn soort in Rome maakt.
Het oude Antium was lange tijd de hoofdstad van het volk van de Volsci, totdat het werd opgenomen in het Romeinse staat. Hier, vlakbij de zee, bouwden de meest prominente Romeinen er prachtige villa’s. De plek was bijzonder geliefd bij de keizers van de Julio-Claudische dynastie. Keizer Nero, volgens de schrijver Tacitus geboren in Antium, bezocht de stad vaak en stichtte er een kolonie van veteranen en een nieuwe havenstad, waarvan de ruïnes nog steeds bestaan. Talrijke kunstwerken die zich vandaag in diverse musea bevinden zijn afkomstig uit de voormalige pronkerige villa’s langs de kust van Rome.
Tot de meest bekende behoorde zeker Nero’s eigen villa, die echter niet met honderd procent zekerheid te identificeren is, maar die vandaag wel wordt toegeschreven aan de keizer. Het huis bevindt zich op een ongeveer 800 m lange kuststrook en werd gebouwd op de plaats van een vroeger herenhuis waar keizer Augustus regelmatig officiële ontvangsten hield. Vlakbij bevinden zich de ruïnes van een theater.
Nero zou deze voormalige residentie hebben verbouwd tot een huis dat in grootte en pracht zijn status als keizer ten volle uitstraalde. Volgens de legende heeft Nero vanuit zijn villa in Antium/Anzio de grote brand van Rome gezien. De keizer beschikte in zijn huis over een rijke bibliotheek met houten planken, versierd met gouden nagels. In een geheime ruimte van de villa moet zich een museum bevonden hebben met beeldhouwwerken van centauren, amazones en gladiatoren. Landinwaarts was de villa verdeeld in diverse paviljoenen, baden, tuinen, fonteinen en terrassen. Na de dood van Nero werd het gebouw alleszins nog door de latere keizers gebruikt. Pas tijdens de Severische dynastie raakte het in onbruik. Vandaag resten er alleen nog fundamenten
De villa maakt deel uit van het archeologische park dat zich uitstrekt over bijna de hele Fanciulla d’Anzio en omvat ook het havengebied met de magazijnen, de zogenaamde grotten van Nero. In het gebied tussen Rome en Anzio was er tijdens de Tweede Wereldoorlog een gewelddadige confrontatie tussen de Amerikaanse geallieerden die waren geland op Anzio en de Duitse bezettingstroepen die Rome en de kustgebieden beheersten.
Thermen waren in de Romeinse oudheid badinrichtingen, zowel particuliere als openbare, met een typische geleding in drieën, ontstaan uit hygiënische overwegingen, bestaande uit opeenvolgende baden in koud, lauw en warm water. Frigidarium, tepidarium en caldarium heetten de daartoe bestemde ruimten. Soms werd er een zweetbad, laconicum, aan toegevoegd. De verwarming gebeurde met hete lucht onder de vloer (hypocaustum) of soms achter de wanden.
Bij de openbare badinrichtingen werd deze kern uitgebreid met clublokalen, sportvelden (palaestra), bibliotheek, enz. De thermen hadden tevens de functie van sociëteit en cultureel centrum. Vanaf Hadrianus waren gescheiden baden voor mannen en vrouwen voorgeschreven. De grote openbare thermen met hun koepels en gewelven, hun mozaïekvloeren en -wanden behoren tot de belangrijkste creaties van de Romeinse architectuur. Het gebruik van thermen breidde zich uit in het gehele westen van het Romeinse Rijk.
In Rome zelf staan nog de kolossale resten van de thermen van Caracalla (begin 3de eeuw) en de voormelde thermen van Diocletianus (begin 4de eeuw). Indrukwekkend zijn ook de bouwvallen van de Keizerthermen in Trier (4de eeuw). Ook bekend zijn de overblijfselen van de thermen van Bath (1ste eeuw na Chr.) en Parijs (2de eeuw na Chr.). In Nederland zijn in Heerlen bescheidener thermen opgegraven (1ste–2de eeuw). Hier is thans het Thermenmuseum opgebouwd, dat we tijdens een uitstap met S.P.Q.R. op 1 mei a.s. zullen bezoeken. Deze uitstap is overigens volgeboekt.
Keizer Diocletianus, of Gaius Aurelius Valerius (Salonae, in Dalmatië, ca. 243 – Spalatum 316) was de grondlegger van het dominaat: de absolute heerschappij van de keizer. Hij was zoon van een vrijgelaten slaaf en klom van gewoon soldaat op tot stadhouder van Moesia (in Bulgarije) en werd als commandant van de garde na de dood van Numerianus door het leger bij Nicomedia (in Klein-Azië) tot keizer uitgeroepen.
Op bestuurlijk vlak bevond Rome zich in een bijzonder woelige en ingewikkelde periode. Nadat zijn voorganger in het westen, Carinus, was uitgeschakeld (285), benoemde Diocletianus zijn vriend Maximianus tot caesar (onderkeizer) en in 286 tot augustus (medekeizer). Deze sloeg de Bagaudae (opstandige boeren in Gallië) neer, maar kon de afscheiding van een Britannisch keizerrijk onder Carausius (286) niet verhinderen.
Mede om hieraan een eind te maken, voerde Diocletianus in 293 een verdere gezagsverdeling door, de zgn. tetrarchie (heerschappij van vier). Als Romeins keizer, van 284 tot 305, breidde Diocletianus het rijk uit en reorganiseerde het bestuur. Hij verhoogde de belastingdruk. Diocletianus is vooral bekend omdat hij in 302 toestemming gaf voor een hernieuwde vervolging van de christenen.
Hij stelde in het Oosten Galerius met de titel caesar als mederegent (speciaal voor het Donaugebied) en ‘kroonprins’ aan. Maximianus in het westen, met de bijnaam Herculius, beperkte zich tot Italië en Africa (met Milaan als residentie) en kreeg zijn schoonzoon Constantius Chlorus (residentie Trier) als caesar voor Gallië en Britannië. Diocletianus, bijgenaamd Iovius en residerend in Nicomedia, was, hoewel in theorie gelijke in rang van zijn mede-augustus, krachtens anciënniteit én persoonlijk overwicht in feite het erkende hoofd van de regering. De bedoeling was dat beide caesares, op hun beurt augusti geworden, elk weer een caesar zouden benoemen, zodat het college van vier zich zelf steeds aanvulde.
Inmiddels was Diocletianus echter begonnen met de uitvoering van een grootscheeps programma van reconstructie in materieel, economisch, moreel en bestuurlijk opzicht, die echter vaak neerkwam op een consolidering van in de chaos van de 3de eeuw geschapen toestanden. Zo liet hij vele steden op kleinere schaal herbouwen en in 306 de Thermen van Diocletianus in Rome inwijden. Zijn fiscale hervormingen verhoogden de belastingdruk. De mede daardoor veroorzaakte vlucht uit landbouw en bedrijf trachtte hij tegen te gaan door erfelijke binding aan het beroep (o.a. van de pachters, coloni, aan de domeinen) en door dwanggilden.
Een poging tot muntsanering leidde tot een inflatie, die hij zonder succes bestreed door vaststelling van maximumprijzen en -lonen. Ter versterking van het moreel trachtte Diocletianus, conservatief in hart en nieren, conformisme aan de ‘Romeinse traditie’ af te dwingen. Vandaar dat de verering als god van de levende keizer nu officieel werd. Vandaar ook zijn edicten tegen het manicheïsme (een oude religie, gesticht door Mani (216-276) in het oude Perzië) en sinds 303 de bloedige (en laatste) christenvervolgingen (in het westen tot 306, in het oosten tot 311), door Galerius gestimuleerd, maar door Constantius Chlorus tegengewerkt.
Op bestuurlijk gebied is vaak nauwelijks uit te maken welke maatregelen van Diocletianus afkomstig zijn en welke van Constantijn de Grote, die zijn systeem afrondde. Kenmerk van de reorganisatie was een vérgaande decentralisering van burgerlijk en militair bestuur. Zo verdeelde eerstgenoemde het gehele rijk in 12 diocesen (elk onder een vicarius) en 101 provincies (297). In elk der vier rijksdelen kwam een praefectus praetorio, niet meer als commandant van de garde, maar als plaatsvervanger van de (onder)keizer en beheerder van de belastingen in natura, met onder zich een hiërarchie van bureaus (officia).
Enerzijds heeft Diocletianus het rijk gestabiliseerd en de grondslag gelegd voor de latere absolutistische Byzantijnse ambtenarenstaat, anderzijds introduceerde hij de splitsing ervan in een Latijns-westelijk en een Grieks-oostelijk deel, die nu ook innerlijk uit elkaar groeiden, totdat in 395 de scheiding definitief werd.
Hij deed in 305 afstand, evenals (onder pressie) Maximianus. Galerius en Constantius Chlorus werden nu augusti en stelden resp. Maximinus Daia en Severus als caesares aan. Ook in de verwarring van de troonstrijd na 306 bleef Diocletianus teruggetrokken leven in het reusachtige paleis dat hij bij zijn geboorteplaats had laten bouwen en waaruit later de stad Spalato (Split) voortkwam.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 17 april 2013. Bekijk het origineel.

