Vlamingen (en nog wat meer)

vlagiu10

Avonturen met opschriften – XIX

Twee jaar geleden begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de negentiende bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.

Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel XIX. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

Deze nieuwsbrief is opgedragen aan pater HUGO VANERMEN, uit dank voor alle gastvrijheid.

* * * * *

Corona slaat toe. Gelukkig niet fysiek (het strikte isolement van Schrijver dezes en zijn kluizenaarsbestaan, om nog maar te zwijgen van de aanblik van zijn lange haren, vormen voldoende garantie tegen een besmetting, beter dan mondmaskerdictatuur of dat soort capriolen), maar wel mentaal.

U bent al eerder slachtoffer geweest van zijn uitingen van mismoedigheid: nu begint ook een gebrek aan inspiratie een rol te spelen. Hoe kan Schrijver dezes over Romeinse opschriften schrijven als hij er geen meer onder ogen krijgt? Als er geen vers epigrafisch bloed door de aderen kan stuwen? Schrijver dezes schudt mismoedig (daar hebt u het weer!) het hoofd en zucht: ‘Maar wat moet ik dan?’

Gelukkig herinnert hij zich nog net op tijd (hij had al bijna de uitknop van zijn computer ingedrukt) dat hij de moed gehad had om over dingen dichter bij huis te schrijven, over Friezen en Brabanders.

En hij herinnerde zich toen ineens dat kleine, wat donkere zijstraatje in het hart van Rome, de Via del Sudario, en het kleine, maar zo fijne barokkerkje dat in dat straatje ligt, toegewijd aan de H. Julianus.

En hij herinnerde zich aan de keren dat hij de afscheidnemende rector van die kerk, pater Hugo Vanermen, had ontmoet en door deze gastvrij was onthaald, dat hij daar twee lezingen had gegeven en dat hij zich over het Broederschapsboek had gebogen.

En hij wist dat dat kerkje bezaaid was met opschriften. Dus: ja, weer (in de geest) naar Rome!, maar opnieuw de nieuwere tijden. En: na het noorden en het centrum der Lage Landen, nu het westen en het zuiden… Op naar de Vlamingen dus (en nog wat meer…)!

Laat ons beginnen met de feiten en ons aan de feiten houden, want (net als over de Friezenkerk) worden er ook over San Giuliano dei Fiamminghi nogal wat (vrome?) legenden verteld.

vlagiu(11)

Wie de stichting laat opklimmen tot de 8ste eeuw, ziet over het hoofd dat de pelgrimshuizen destijds in de buurt van de Sint-Pieter lagen en niet in de binnenstad en vooral dat er toen nog helemaal geen graafschap Vlaanderen was en dus ook geen Vlamingen waren.

Een andere overlevering wil dat graaf Robrecht II van Vlaanderen aan het hospitaal gul geschonken heeft: men vergeet alleen te vertellen op welke bronnen dat steunt. Robrecht II is overigens inderdaad in Rome geweest toen hij op weg was naar Jeruzalem tijdens de Eerste Kruistocht, maar veel meer is daar verder niet over bekend.

vlagiu(3)

Echte zekerheid over de stichting hebben we pas in de eerste helft van de 15de eeuw, na het einde van de Babylonische ballingschap der pausen en het Groot Westers schisma. Dan blijkt men bezig om de kapel te repareren en van dat moment, in 1444, dateert ook het reglement van het gasthuis.

Dat document is bekend uit een kopie uit 1574 in het Broederschapsboek, toen men de zaken met het oog op het jubeljaar van 1575 groots aan wilde pakken. Het reglement is in het Middelnederlands (wat in Rome uiteraard uitzonderlijk is) en leert ons van alles.

Zo weten we dat arme pelgrims drie dagen in het gasthuis mochten blijven, priesters zelfs acht, maar dan moesten ze wel enkele missen opdragen, waaronder een requiemmis.

Mannen en vrouwen sliepen uiteraard apart, behalve als het om een echtpaar ging. Daar is trouwens iets eigenaardigs aan de hand. Vrouwen sliepen in een aparte zaal, goed, maar – zo leest men tallen kante – mannen sliepen in de tuin bij de klokkentoren.

Dit is uiteraard nonsens, maar je moet (weer…) uit Oirschot komen om dat in te zien. De term in de tekst is beyaert. Dat betekent in modern Nederlands (‘beiaard’) uiteraard ‘klokkenspel’ of ‘carillon’.

Maar: in het Middelnederlands had het woord nog een andere betekenis, nl. ‘pelgrimsverblijf’. Zo staat er in Oirschot nog steeds een huis met de naam De Beyert , dat deel uitmaakte van het daar ter stede door Agnes van Kleef en Rogier van Leefdaal in 1333 gestichte Sint-Jorisgasthuis.

Kortom, de mannen werden niet in een hoek van de tuin blootgesteld aan weer en wind, ze sliepen ook binnen…

vlagiu(2)

Nog zo’n legende: de tekst in het Broederschapsboek zou gekopieerd zijn door ene Jan de Witte, zo staat in menige publicatie te lezen. Welnu, Jan de Witte is een spook, het spook van Sint-Juliaan.

Die man heeft nooit bestaan (althans niet in deze vorm, als deze persoon, want ik wil niet ontkennen dat er geen Jan de Wittes zijn): het handschrift leest heel duidelijk: Giouani de Withem, Jan van Witthem.

Bovendien identificeert hij zich in de tekst onmiddellijk onder zijn naam. Het gaat om de heer van Beersel en Boutersem die in 1588 overleed. Het is de enige Brabander in het gezelschap en wat voor een: de Van Witthems stamden af van een bastaard van het Hertogelijke Huis van Brabant.

Daarom ook voelde Jan zich gedrongen om zijn naam zo dicht mogelijk bij die van Karel V te zetten, die net in de aanhefalinea genoemd wordt als inspiratiebron voor (hopelijk) nieuwe inschrijvingen.

U slaat in uw eigen bibliotheek na het lezen van deze nieuwsbrief maar eens die klassieker van Suske en Wiske, De schat van Beersel, na: Filippeke die daar ijverig het zwaard wil hanteren (en de katapult), was de overgrootvader van onze Jan. Nu u!

schat

Laat die Jan de Witte dus alstublieft vallen: dat is een eclatante leesfout. Een spook. En die zijn er al genoeg zonder dat we er nog bij moeten maken.

Terug naar de kern van ons verhaal. In de Statuten blijkt ook duidelijk dat de stichting alleen bedoeld is voor Vlamingen. Maar: wat zijn dat?

Juist. Nu wordt het spannend. We zitten in de middeleeuwen. Op dat moment waren Vlamingen alleen inwoners van het graafschap Vlaanderen, ongeacht de taal die ze spraken (want in Rijsel spraken ze altijd al Frans en dat was toch ook Vlaanderen). Lieden uit Leuven, Antwerpen en Brussel waren Brabanders en zeker geen Vlamingen: dat zijn lieden van de overkant van de Schelde, best aardig, zolang ze tenminste aan de overkant blijven.

vlagiu(1)

Die Vlamingen slaan elkaar in hun talrijke burgerveten en -oorlogen de kop in met hun goedendag, dat doen wij Brabanders niet, wij slaan alleen niet-Brabanders de kop in. Dat maakt toch een heel verschil. Dus ook Antwerpenaars zijn (behalve even in de 14de eeuw) geen Vlamingen. Zo, nu u (bis).

De tekst van het reglement is ook heel duidelijk, want steeds wordt herhaald: de Vlamingen die uit Vlaanderen zijn. Brabanders en Luikenaars (waar dus de huidige Limburgers onder vallen, althans de Belgische, want de Nederlandse zijn Geldersen, Overmasiërs en nog wat kleiner spul: Horners en Thorners en zo) zijn dus niet welkom in San Giuliano, althans toen niet: zij huizen in de Santa Maria dell’Anima.

Het begrip ‘Vlaming’ heeft inderdaad een hele evolutie gekend. Van de oorspronkelijke betekenis ‘inwoner van het graafschap Vlaanderen’ is het in Spanje en Italië gaan wijzen op ‘iemand uit de Nederlanden’, waarvandaan ook: los Flamencos, I Fiamminghi.

vlagiu(9)

Pas met de splitsing van de Nederlanden gaat het woord (altijd in het buitenland, want intern bleven we Vlamingen, Brabanders, Namenaars, Henegouwenaars, Luxemburgers, Doornikenaars en Mechelaars) meer specifiek ‘inwoner van de Zuidelijke Nederlanden’ betekenen, naast de ‘Hollanders’ uit de Noordelijke Nederlanden.

Pas na het ontstaan van het koninkrijk België in 1830 krijgt het woord zijn huidige betekenis ‘Nederlandstalige inwoner van België’.

Met andere woorden: San Giuliano is een Vlaamse kerk, maar het is geen Vlaamse kerk, d.w.z. het is een kerk van de inwoners van het graafschap Vlaanderen (en dus ‘Vlaams’ in de oorspronkelijke betekenis), maar het is nooit specifiek voor Vlaanderen in de huidige betekenis geweest en is dus volgens modern woordgebruik geen Vlaamse kerk (maar een Belgische, want historisch – tweede betekenis – zijn alle Belgen in Rome Vlamingen (‘Fiamminghi‘).

vlagiu(8)

Integendeel zelfs (als het u nu nog niet duizelt), want we zien dat in de 16de eeuw, ondanks de bepalingen in het reglement voor het gasthuis, in de broederschap ook personen opduiken uit het toenmalige nieuwe aartsbisdom Kamerijk (Cambrai): het gaat om inwoners van Artesië (Artois), Frans-Vlaanderen (maar die zaten er al, want dat zijn Vlamingen), Henegouwen en Namen.

Kortom: in deze ‘Vlaamse’ kerk duiken ineens allerlei ‘Walen’ op. Het gaat daarbij wel om de West-Walen, want de Oost-Walen (de Luikenaars dus) zitten gewoon in de Anima. Kortom, de Zuidelijke Nederlanden zijn in Rome gesplitst, maar volgens een noord-zuidlijn in Westerlingen (Vlamingen en West-Walen) en Oosterlingen (Brabanders en Luikenaars in de breedste zin).

vlagiu(15)

Wie dacht dat het surrealisme een recente uitvinding was, zal daar nu wel op terugkomen, vrees ik. Het wordt nog leuker, want op dit moment doet de taalstrijd haar intrede. Ha! Daar zaten we op te wachten!

Walen buiten!? Nee dus, al bevat het reglement inderdaad zowat de oudste taalwet uit de ‘Belgische’ geschiedenis. Artikel 5 luidt namelijk: ‘Item de Meesters voirzeydt zullen alle de zaken voirseydt int vlae(m)sche scriuen zo dat elckerlyck verstaen mach ende lesen.’

Dat lijkt duidelijk, dus toch ‘Walen buiten’? Nee, want het gaat niet over onze Waalse vrienden (Schrijver dezes heeft zelf veel te veel Henegouwse en Luikse collega’s om niet enige voorzichtigheid te betrachten), het gaat over iets anders. Nog afgezien van het feit dat er in 1444 nog niemand aan dacht om Waal te zijn, zeker niet in de huidige betekenis.

Waarom insisteert het reglement op het gebruik van het Vlaams? Heel eenvoudig: wat was het alternatief? Niet het Frans. In Rome? Daar sprak niemand Frans. Nederlands ook niet. Wat sprak men daar wel? Italiaans en … Latijn. En men schreef voornamelijk Latijn en Italiaans (in die volgorde). En wie sprak er Latijn? De geestelijkheid.

vlagiu(14)

En zo komen we bij de echte reden: als het werd toegestaan dat het Latijn de schrijftaal van de broederschap werd, konden de ‘gewone’ leden dat niet meer lezen, alleen de clerici. Met als gevolg dat de clerus de broederschap naar zich toe zou gaan trekken en dat de ‘gewone’ leden niets meer te zeggen hadden.

De tekst van het reglement is er sterk op bedacht om te verhinderen dat de controle over de broederschap (en de fondsen) in andere handen (lees met name: de clerus) zou vallen, maar dat men zelf de zaak in eigen hand zou houden.

Bij de inschrijvingen in het Broederschapsboek valt ook op dat de Franstalige leden zich niet in het Frans, maar in het Italiaans inschreven: wellicht was dat de gangbare taal op vergaderingen, want dat sprak iedereen. Het heeft overigens wel gewerkt, want de broederschap is tot aan het begin van de 19de eeuw inderdaad in handen van leken gebleven.

vlagiu(7)

Het wordt tijd voor een opschrift. Laat ons eens origineel doen en beginnen met een Zeeuw. Geen Vlaming dus. Livinus Pels uit Zierikzee:

D O M
BIS DVO CVM FVERANT
LOETO MIHI LVSTRA PERAOTA
INFAVSTO PATRIVM
SIDERE LINQVO SOLVM
ROMAM ADEO NONVM VIX
LVNA REPLEVERAT ORBEM
MORS NIMIVM PROPERANS
ME RAPIT HIC IACEO

[wapenschild: van zilver met een zeshoekige toren van keel]

LIVINO PELS EX OPTIMATIBVS
SIRIXEE INSIGNIS SELANDIE
OPPIDI PROGNATO QVIESSEDESIIT
XXVI LVLII M D XX

Het eerste deel verbergt ondanks de woordschikking een grafdicht van twee elegische disticha (maar de Grote Speurder hoeft er niet bij te komen, want Schrijver dezes had dat al door!).

Er staan twee fouten in de gekapte tekst. Zo is PERAOTA natuurlijk PERACTA, terwijl QVIESSEDESIIT wel erg lang is en eigenlijk QVI ESSE DESIIT is. De tekst in ‘editievorm’ (met stilzwijgende correctie van de twee vergissingen van de steenkapper) wordt dan:

D(eo) O(ptimo) M(aximo)

Bis duo cum fuerant loeto mihi lustra peracta,
Infausto patrium sidere linquo solum:
Romam adeo. Nonum uix luna repleuerat orbem,
Mors nimium properans me rapit. Hic iaceo.

Liuino Pels ex optimatibus / Sirixee insignis Selandie / oppidi prognato qui esse desiit / XXVI iulii M D XX

‘Voor God, de Beste en Hoogste.

Toen voor mij tweemaal twee lustra gelukkig verlopen waren,
Verliet ik onder ongelukkig gesternte de vaderlandse grond:
Naar Rome ging ik. De maan maakte nauwelijks haar negende ronde,
Of de al te haastige dood roofde me weg: hier lig ik.

Voor Lieven Pels, geboren uit een patricische familie in Zierikzee, een befaamde stad in Zeeland, die ophield te zijn op 26 juli 1520.’

Livinus Pels moet geboren zijn in 1498 of 1499 of 1500. Hij was de zoon van Jan Pels († 1508) die in 1506 genoemd wordt als raad van Filips de Schone; van 1493 tot 1500 was hij gecommitteerd ontvanger van Beoosterschelde. Van zoon Lieven weten we verder nauwelijks iets.

Hij verschijnt niet in de inschrijvingsregisters van de Leuvense universiteit. Als zijn reis naar Rome niet een bedevaart (maar dan een van negen maanden?) was, dan kan het zijn dat hij hoopte op een carrière aan de Curie: dat was niet ongewoon. Hoe dan ook, het liep niet goed af.

vlagiu(6)

Waarom Lieven Pels in San Giuliano begraven werd, is niet helemaal duidelijk: Zeeland was natuurlijk in die tijd nog erg ‘Vlaams’ en sloot cultureel nauw bij het zuidelijke graafschap aan, maar het kan ook zijn dat de bouwwerken in en aan de Santa Maria dell’Anima de reden waren.

Of het het slecht karakter van Schrijver dezes is, weet ik niet (het is anders een brave jongen, eigenlijk veel te braaf), maar het tweede opschrift is ook al niet voor een Vlaming, maar voor een Henegouwer, Jean Museur, 55 jaar lang provisor en rector van San Giuliano. Het opschrift is tegen de muur aangebracht en bevindt zich onder een afbeelding van een zerk en het portret van de overledene:

D O M
IOANNES MVSEVR
GENTE BELGA DOMO CAMERACENSIS
H S E
VIR SI AETATEM SPECTES EMERITVS PLVRA MERITVS SI VIRTVTEM
HVIVS ECCLESIAE ET DOMVS SANCTI IVLIANI
ANNIS LV RECTOREM EGIT
HOC EST
FIDE TVTOREM CVRA PATRONVM AMORE PERPETVO PATREM
TESTES APELLO TESTAMENTI TABVLAS
QVIBVS IPSE NON ALIVM HAEREDEM
NISI ILLAM
QVAM VIVENS SEMPER DEFENDIT PROMOVIT AMAVIT
MORIENS SCRIPSIT
HAEC EIVS PER ANNOS LXXXII ACTA VITA
HAEC ANNO DNI M D C L XVIIII OBITA MORS FVIT
VTRIVSQVE
HOC MONVMENTVM
LOCI ADMINISTRATORES
OPTIME MERITO
P P

D(eo) O(ptimo) M(aximo)
Ioannes Museur / gente Belga domo Cameracensis / h(ic) s(epultus) e(st), / uir si aetatem spectes emeritus, plura meritus si uirtutem. / Huius ecclesiae et domus Sancti Iuliani / annis LV rectorem egit, / hoc est: / fide tutorem, cura patronum, amore perpetuo patrem. / Testes apello testamenti tabulas / quibus ipse non alium haeredem / nisi illam / quam uiuens semper defendit promouit amauit / moriens scripsit. / Haec eius per annos LXXXII acta uita, / haec anno D(omi)ni MDCLXVIIII obita mors fuit: / utriusque / hoc monumentum / loci administratores / optime merito / P(osuerunt).

‘Voor God, de Beste en Hoogste.
Jean Museur, Belg van afkomst, uit het Kamerijkse, ligt hier begraven, een man die als je naar zijn leeftijd kijkt uitgediend was, maar die meer verdiende als je naar zijn deugden kijkt. Gedurende 55 jaar was hij rector van deze kerk en van dit huis van S. Giuliano, dat wil zeggen: een voogd in vertrouwen, een patroon in zorg, een vader in eeuwige liefde. Als getuige roep ik zijn testament op waarin hij stervend geen andere erfgenaam neerschreef dan diegene die hij bij zijn leven altijd verdedigde, begunstigde, liefhad. Dit was zijn leven van 82 jaar, dit was zijn dood die hem in het jaar 1669 toeviel: voor beide hebben de beheerders van deze plaats dit monument geplaatst.’

‘Belg’ van afkomst (gente Belga) vraagt om toelichting, voordat het lezen van deze nieuwsbrief tot massale politieke actie leidt (wat niet tot des Schrijvers oogmerken behoort).

Het Latijnse woord Belga betekent in de oudheid natuurlijk gewoon wat wij nu ‘Oude Belg’ noemen. Vanaf het Humanisme werd het de Latijnse aanduiding voor de inwoners van de Nederlanden, allemaal, met andere woorden het was (in het buitenland) het Latijnse equivalent van het Italiaanse I Fiamminghi. Belgae zijn dus ‘Vlamingen’ in de tweede betekenis.

De splitsing van de Nederlanden in en door de Tachtigjarige Oorlog had hier eigenlijk geen gevolgen voor. De Franstalige editie van de in Amsterdam verschenen Grand Atlas van Joannes Blaeu (deel IV) titelt La Belgique royale voor ‘het koninklijke België’, d.w.z. de Nederlanden die onder de koning stonden, dus de Spaanse = de Zuidelijke Nederlanden.

De titel La Belgique fédérée ‘het federale België’ wijst op de Verenigde Nederlanden, dus de Republiek. De Nederlanders waren toen dus gefedereerde Belgen…

Om het werk af te maken (en u een volledige zenuwinzinking te bezorgen): in het Nederlands en het Duits gebruikte men termen als Neder-Duitsland of Nederlanden. Opnieuw werden die voor het ongedeelde geheel van ons territorium gebruikt. Het Frans sloot zich hier later, zeker in de 18de eeuw, bij aan.

In die tijd vond de feitelijke staatkundige toestand soms wel uitdrukking in de eigenaardige keuze dat men Hollande had naast Les Païs-Bas: het laatste slaat dus op de Oostenrijkse Nederlanden…

Pas na 1830 hebben de termen hun huidige, beperkte betekenis en zijn Nederlanders dus Nederlanders en Belgen Belgen (en Vlamingen, Walen, Brusselaars en Oost-Belgen).

vlagiu(13)

Als (om terug te keren tot San Giuliano) we dus in het opschrift op het grafmonument voor de gravin de Celles, echtgenote van de Nederlandse ambassadeur bij de Heilige Stoel tijdens de periode van het verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I lezen: Guilielmi I Belgarum regis, dan betekent dat niet: ‘Willem, koning der Belgen’, maar wel zeker, zoals het dat al enkele eeuwen deed: ‘Willem, koning der Nederlanden’.

Pas vanaf 1831 zijn de Belgae exclusief ‘Belgen’. En moeten de Nederlanders op zoek naar een nieuwe Latijnse naam (meestal Batavi, soms Nederlandici of zoiets, maar eigenlijk heeft men nooit zo iets moois gevonden als het oude Belgae).

Het opschrift voor Museur vertoont overigens duidelijk de invloed van het barokke taalgebruik met zijn herhaalde opsommingen in drievoud of zijn complexe woordspelingen met emeritus en meritus. Eerlijk gezegd had de auteur van de tekst het wel eens eenvoudiger kunnen doen…

Kom, Schrijver dezes heeft u genoeg gesard. Het wordt tijd voor een echte Vlaming volgens betekenis 1, 2 én 3. Carolus van Huerne, edelman uit Gent, is de aangewezen vrijwilliger:

D O M
CAROLO VAN HUERNE
NOBILI GANDENSI IVR V DOCTORI
QVI DVM EX APHRICA REVERSVS
IN PATRIAM REDITVM PARARET
FEBRI CORREPTVS IN VRBE
MORITVR 26 SEPT AN 1576

[wapenschild: beladen met een hartschild en daarboven faasgewijs drie merletten]

O FALLAX HOMINU SPES O FIDVCIA VANA
REBVS IN HVMANIS FIGERE VELLE PEDEM
MENS HOMINV POSITO METITVR TEMPORA FINE
SED DEVS ARBITRIO TEMPERAT ILLA SVO
VIXIT ANNOS 23 D 29

D(eo) O(ptimo) M(aximo)
Carolo van Huerne / nobili Gandensi iur(is) u(triusque) doctori / qui dum ex Aphrica reversus / in patriam reditum pararet / febri correptus in Urbe / moritur 26 sept(embris) an(no) 1576

O fallax hominu(m) spes, o fiducia uana
Rebus in humanis figere uelle pedem!
Mens hominu(m) posito metitur tempora fine,
Sed Deus arbitrio temperat illa suo

Vixit annos 23 d(ies) 29

Voor God, de Beste en Hoogste.
Voor Karel van Huerne, een edele Gentenaar, doctor in de beide rechten, die, toen hij uit Afrika terugkeerde en zijn reis naar het vaderland voorbereidde, door koorts bevangen werd en in de Stad overleed op 26 september 1576.

O bedrieglijke hoop der mensen, o ijdel vertrouwen
Dat in menselijke zaken een voet vastzetten wil!
Der mensen geest meet de tijd, legt vast een einde,
Maar God bepaalt dat zoals hij beslist.

Hij leefde 23 jaar en 29 dagen.’

Deze steen bevindt zich in een ruimte naast de kerk en is de enige originele steen uit de oudere kerk: de andere zijn kopieën die bij de herbouw uit het begin van de 18de eeuw zijn gemaakt om beter in het nieuwe vloerpatroon te passen.

vlagiu(14)

Net als bij Livinus Pels gaat het om een zeer jong iemand. Blijkbaar een persoon vol ambities en al met een vol leven achter de rug: ondanks zijn 23 jaar was hij al doctor in de beide rechten. Van welke universiteit is onbekend: het inschrijvingsregister van Leuven (eigenlijk toch de enige échte universiteit) voor de periode 1565-1616 ontbreekt.

23 lijkt wel erg jong voor die graad, maar kan waarschijnlijk net: rechten was de kortste studie, terwijl de theologen er zo’n elf jaar over deden. Wat Carolus in Afrika is gaan doen weten we ook niet.

Het gaat waarschijnlijk om Tunesië en/of aangrenzend gebied dat volgens de klassieke traditie het echte Africa is. Bekend is uit Gent een Christophorus van Huerne (1550-1629), zoon van Augustin van Huerne (1519-1586).

Net als bij Lieven Pels staat ook hier een moraliserend vers in elegische disticha op de steen. Schrijver dezes heeft daar weinig aan toe te voegen: moraliseren over een moralisatie gaat hem net iets te ver.

Er zijn meer graven voor jonge mensen uit onze streken. In de Santa Maria dell’Anima zo onder meer voor Adrianus Vryburch uit Alkmaar in Noord-Holland (maar die had wel een duel uitgevochten, dus hij telt maar ten dele mee) en Charles Micault uit Brussel die in 1577 stierf, met ook al elegische disticha op zijn steen. Reizen was (is?) ongezond, zoals de virologen ons duidelijk proberen te maken.

Maar Livinus of Carolus zijn niet de jongste personen aan wie in San Giuliano dei Fiamminghi een grafsteen herinnert. Die twijfelachtige eer komt toe aan Pompeo Hiele, een Fiammingo die nooit in de Nederlanden is geweest.

vlagiu(5)

Dat kan ook nog: hij was het zoontje van de Gentenaar Petrus Hiele of Hielius (1537-1595) die zelf overigens in de Santa Maria dell’Anima begraven is en dat ondanks het feit dat Petrus provisor van San Giuliano was. Probeer dit niet te begrijpen, dat is tijdverlies. Kijk liever naar het sobere en daardoor ontroerende grafschrift dat heel klassiek van vorm is:

D O M
POMPEO HIELE IMMATVRA
MORTE PREREPTO VIXIT
MENS XVII DIES XV
OBIIT DIE XXIII
OCTOBR MDLXXIII
PETRUS HIELE
MODERNVS PROVISOR
HVIVS HOSPITALIS
FILIO CHARISSIMO
P C

D(eo) O(ptimo) M(aximo)
Pompeo Hiele immatura / morte prerepto. Vixit / mens(es) XVII dies XV. / Obiit die XXIII / octobr(is) MDLXXIII. / Petrus Hiele / modernus prouisor / huius hospitalis / filio charissimo / p(onendum) c(urauit).

‘Voor God de Beste en Hoogste.
Voor Pompeius Hiele die door een te vroege dood werd weggerukt. Hij leefde 17 maanden en 15 dagen. Hij stierf op 24 oktober 1573. Petrus Hiele, huidig provisor van dit hospitaal heeft dit voor zijn zeer geliefd zoontje laten plaatsen.’

Kom, laat ons stil zijn en Petrus alleen laten met zijn verdriet. Dag, Pompeo, en dag, S. Giuliano dei Fiamminghi: zonder gekkigheid, je bent Schrijver dezes dierbaar…

[Wie het nu nog niet beu is, kan het artikel ‘Het Broederschapsboek van San Giuliano dei Fiamminghi en de Statuten uit 1444’ (In Monte Artium. Journal of the Royal Library of Belgium, 5 (2°12), 169-214) door dezelfde auteur nalezen (in open access)]:

https://doi.org/10.1484/J.IMA.1.103006

Oorspronkelijk gepubliceerd op romenieuws.wordpress.com, op 27 mei 2021. Bekijk het origineel.