Eén van de mooiste straten van Rome, de Via Giulia, viert haar vijfhonderdjarig bestaan. Dat gebeurt met een hele reeks uiteenlopende evenementen, gaande van concerten, lezingen, tentoonstellingen tot begeleide wandelingen en lichtshows en die nog voortduren tot februari volgend jaar. Het programma wordt regelmatig bijgewerkt en je kan het raadplegen via de onderstaande gelegenheidswebsite.
Het is in ieder geval het ideale moment om eens nader kennis te maken met plekjes zoals het Piazza dell’Oro, de kerken Santa Maria dei Senesi, Sant’Eligio degli Orefici en de Santo Spirito dei Napoletani of het Palazzo Sacchetti. Hier is immers veel te zien en deze kleine opsomming verzinkt in het niets tegenover al het fraais dat deze straat en de nabije omgeving te bieden heeft.
De Via Giulia loopt ongeveer parallel met de Tiber en werd van 1503 tot 1508 aangelegd door Donato Bramante op bevel van paus Julius II die de straat ook zijn naam gaf. Op de westelijke oever van de Tiber bevonden zich aanvankelijk slechts twee stadswijken, de Città Leonina, met de Sint-Pieter, het Vaticaan en de Borghi, en Trastevere, gelegen aan de voet van de Monte Gianicolo.
Het was ook onder paus Julius II dat in een rechte lijn, op enige afstand van de Tiber, de Lungara werd aangelegd, dit als antwoord op de Via Giulia aan de andere zijde van de rivier. Aan de Via Giulia ontstonden diverse renaissancepaleizen; de bebouwing van de Lungara zou zich voornamelijk beperken tot kleinere kloosters en burgerhuizen. Beide straten moesten vooral de toenmalige volksbuurten saneren: de Via Giulia doorsneed de Regola, een wirwar van smalle pittoreske straatjes, waarvan er nog heel wat bestaan.
Vijfhonderd jaar betekent in Rome eigenlijk niet zoveel. Vergeleken met sommige andere straten werd de Via Giulia zelfs vrij laat aangelegd. De bedoeling was, tegelijk met de sanering van de wijk, vooral ook een snelle toegangsweg naar het Vaticaan te verwezenlijken voor de vele duizenden pelgrims die naar Rome kwamen.
Voordat de straat werd aangelegd, konden de bedevaarders het Vaticaan vanuit deze richting enkel bereiken door de smalle Via del Pellegrino en de Via dei Banchi Vecchi. Deze steegjes, die tot vandaag hun charme hebben behouden, waren destijds berucht wegens de grote aantallen zakkenrollers die in deze straatjes hun werkgebied hadden. Je kan het zo’n beetje vergelijken met de beruchte bus 64 van vandaag, waarop argeloze en onoplettende toeristen eveneens regelmatig wat lichter worden gemaakt. Hoewel dat natuurlijk geen exclusiviteit op lijn 64 is: op alle drukke plekken, en zeker in overbevolkte metrostellen en bussen, kunnen zakkenrollers toeslaan.
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de architect Bramante ook alle gebouwen in de straat zou ontwerpen, dit om een architectonisch geheel te creëren. Dat plan ging echter niet door. Toen de straat voltooid was, waren de huizen er nog goedkoop en veel artiesten, waaronder de schilder Rafaël en architect da Sangallo, kwamen in de Via Giulia wonen. De gebouwen aan de westzijde hadden toen nog tuinen die tot vlak aan de Tiber reikten.
De Via Giulia werd al gauw één van de meest exclusieve straten van Rome. Dat is vandaag nog zo. Het is één van de weinige (bijna) autovrije straten van Rome, waar je leuke winkeltjes, kunstgalerijen, antiekzaken maar ook verschillende regeringskantoren aantreft. Ook de anti-maffiabrigade van Rome is gehuisvest in deze straat, net als het Museo Criminologico, dat je kan terugvinden in het Palazzo del Gonfalone.
Zowat de hele straat is zoals verteld het bezichtigen meer dan waard, maar neem vooral een kijkje in de kerk van San Giovanni dei Fiorentini (ter hoogte van het Piazza dell’Oro). Hoewel minder rijkelijk dan de Santa Maria sopra Minerva (de oorspronkelijke Florentijnse kerk) aan de gelijknamelige Piazza, zijn vrijwel alle grote kunstenaars uit de Renaissance en de barok op een of andere manier met deze kerk verbonden.
De gevel is van Allessandro Galilei. Jacopo Sansovino tekende voor het ontwerp van de kerk. Na zijn dood werd het werk voorgezet door Antonio da Sangallo de Jongere. Giacomo della Porta voltooide het gebouw en Carlo Maderno bouwde de koepel. Het koor en het roodmarmeren altaar is van Pietro da Cortona en Borromini, verfraaid met beelden van Bernini. Zowel Maderno als Borromini liggen zelf in deze kerk begraven. Filippo Neri, de patroonheilige van Rome, was de eerste priester van deze kerk.
Wie de moeite doet hier wat rond te kijken zal nog meer grote namen aantreffen. Opmerkelijk is dat in deze kerk dieren binnen mogen. Vroeger waren er hier weleens dierenwijdingen, vandaag beperkt dit oude gebruik zich tot een schaarse bezoeker die eens een hond meeneemt in de kerk.
Ook zeker de moeite van het bekijken waard in de Via Giulia: het Palazzetto (op nummer 79), het Palazzo Sacchetti (nr. 66), de Chiesa di San Biagio della Pagnotta (ter hoogte van de Via dei Bresciani), het Palazzo Ricci (Via Giulia 146), het Palazzo Cisterna (nr. 163), de kerk van Santa Caterina da Siena (ter hoogte van de Via dell’Armata), het Palazzo Falconieri (Via Giulia 1), de Fontana del Mascherone (ter hoogte van de Via del Mascherone) en de Arco dei Farnesi uit 1603 aan de achterzijde van het Palazzo Farnese. Het was ooit de bedoeling om dit gebouw te verbinden met de Villa Farnese aan de overzijde van de Tiber, maar meer dan de boog over de Via Giulia is er nooit gebouwd. De Farneseboog heeft geen enkele functie, maar geeft, ook al omwille van de mooie plantengroei, de straat toch een fijn extraatje.
Een beetje luguber buitenbeentje is de Chiesa di Santa Maria dell’Orazione e Morte (op nr. 261). Op de deuren en ramen zijn gevleugelde schedels te zien. Naast de deur bevindt zich een geraamte met een zandloper en een skelet dat naar de tekst ‘Hodie mihi, cras tibi’ wijst (heden ik, morgen gij). In de zestiende en de zeventiende eeuw werden hier meer dan 8.500 niet-geïdentificeerde doden begraven (meestal drenkelingen of onbekende slachtoffers van moordende overvallen). Die ongelukkigen kregen hier toch nog een christelijke begrafenis.
Maar in de crypte van de kerk werden later met hun botten bizarre versieringen en patronen gevormd, zoals kruisbeelden van schedels, lampen van wervels, enz. Het is een beetje vergelijkbaar met de ruimte in de Kapucijnenkerk Santa Maria della Concezione aan de Via Veneto, al is die laatste veel kleiner. De oorspronkelijke crypte kreeg in de loop der eeuwen regelmatig af te rekenen met overstromingen van de Tiber, waardoor een aanzienlijk deel van de ondergrondse ruimte ontoegankelijk werd. Wat er vandaag nog van overblijft is echter nog altijd behoorlijk indrukwekkend. De crypte van de Santa Maria dell’Orazione e Morte is niet vrij toegankelijk. Je kan ze wel bezoeken mits aanvraag bij de priester en enkel na de kerkelijke dienst. Een spontane gift voor het onderhoud van het kerkgebouw kan helpen.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 30 april 2008 op het Romenieuws-archief.

