Vier generaties Brueghel komen naar Rome

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Brueghel. Meraviglie dell’Arte Fiamminga is de titel van een in Rome nooit eerder geziene tentoonstelling van topstukken uit de Brueghel-dynastie. Van 18 december tot maar liefst 2 juni 2013 worden de tentoonstellingszalen van het Chiostro del Bramante vrijgemaakt voor de familie Brueghel. De expo schetst de geschiedenis en het uitzonderlijke talent van de belangrijkste Vlaamse kunstenaars die actief waren tussen de 16de en de 17de eeuw. De tentoonstelling pakt uit met 70 schilderijen en 30 tekeningen en grafieken van de diverse meesters.

De groep achter het Chiostro del Bramante liet zich in het verleden al wel vaker opmerken met bijzondere tentoonstellingen (herinner je bijvoorbeeld de expo Giulio Cesare. L’uomo, le imprese over Julius Caesar in 2008) maar door het komende evenement naar Rome te halen hebben de organisatoren zichzelf waarschijnlijk overtroffen. Wat er precies allemaal te zien zal zijn blijft voorlopig afwachten, al zullen we toch mogen rekenen op een aantal toppers vermits diverse buitenlandse musea meewerken aan deze expo. Waarschijnlijk zijn dus niet alle doeken waarmee deze nieuwsbrief werd gexefllustreerd in Rome te zien, al kan het natuurlijk wel.

Voorlopig wordt er immers nog steeds zeer weinig gecommuniceerd over de expo en staat het Brueghel-evenement zelfs nog niet vermeld op de officixeble tentoonstellingswebsite RomaExhibit. Niet dat er veel ruchtbaarheid nodig zal zijn, de belangstelling van het publiek zal ongetwijfeld massaal zijn. Daar komt bij dat het voormalige kloostercomplex ook weer niet zo heel groot is. Dat maakt het enigszins begrijpelijk dat men de eerstkomende weken nog geen hype rond de tentoonstelling wil crexebren, zoals dat recent met de expo rond Vermeer in de Scuderie del Quirinale nog het geval was. Daar gingen op een paar weken tijd in voorverkoop alleen al 75.000 tickets de deur uit.

Pieter Bruegel of Brueghel de Oudere was een Vlaamse schilder en graficus bekend om zijn landschappen en scxe8nes van het boerenleven, de zogenaamde genreschilderkunst. Hij wordt soms weleens aangeduid als de ‘Boeren Bruegel’ om hem te onderscheiden van de andere leden van de Brueghel-dynastie, maar hij is ook degene die over het algemeen wordt bedoeld als mensen het meer algemeen over de schilder Brueghel hebben.

Een aantal van zijn werken zijn zo beroemd dat zelfs de grootste leek er moeiteloos een Brueghel in herkent. Het zijn iconen in de kunstgeschiedenis. Vanaf 1559 liet hij de ‘h’ van zijn naam en tekende hij zijn schilderijen als Bruegel. Ook zijn nakomelingen zouden dat doen. Binnen de dynastie van de Zuid-Nederlandse schildersfamilie zou de schrijfwijze van de naam regelmatig afwijken: Bruegel, Brueghel en Breughel.

Dart Chiostro del Bramante is de instelling die alle museumactiviteiten en de evenementen in de multifunctionele ruimtes van het voormalige klooster beheert en coördineert. De restauratie van het complex duurde lang en werd voltooid in 1997. De ingreep is goed geslaagd en gaf het gebouw een groot deel van zijn oude glorie terug. Het klooster werd in 1500 ontworpen door Donato Bramante. De ruimtes worden voor de meest diverse zaken gebruikt, gaande van tentoonstellingen, tot recepties, kunstvoorstellingen, concerten, enz. Het complex beschikt over een koffiebar met bistro, een boekhandel en een museumwinkel. Het is een fijne en meestal rustige plek om even te ontsnappen aan de drukte in de stad.

We stellen hierna even de belangrijkste leden van de Brueghel-dynastie voor.

Pieter of (Peter) de Oudere (Breugel, bij Eindhoven, of Brogel, bij Bree, of Breda, ca. 1525,  Brussel 5 sept. 1569), ging volgens Carel Mander in de leer bij Pieter Coecke van Aelst en bij Hixebronymus Cock, te Antwerpen. Hij werkte samen met Pieter Balten in Mechelen aan een altaarstuk (1550). In 1551 werd hij ingeschreven als vrijmeester van het Sint-Lucasgilde te Antwerpen. Hij reisde via Frankrijk en de Zwitserse Alpen naar Italië, bezocht o.a. Rome, Napels en Messina en keerde in 1553 naar Antwerpen terug. Na 1560 verhuisde hij naar Brussel. Hij huwde er met Mayken Coecke, dochter van Pieter Coecke van Aelst en vervolgens met Maria Verhulst, alias Bessemers.

De artistieke loopbaan van Pieter Bruegel is vrij kort geweest. Er zijn ca. vijftig schilderijen van hem bekend. Het merendeel daarvan is gesigneerd en gedateerd; de vroegste dateren uit de tijd na zijn terugkeer uit Italië, hoewel enkele tekeningen voor of tijdens de reis zijn gemaakt. In deze bladen kondigt zich al de grote landschapschilder aan.

Afgezien van enkele jeugdwerken, zoals De haven van Napels (1553-1554, Galleria Doria, Rome), De dood van Maria (1556, Upton House, Warwickshire) en Landschap met zaaier (1557, National Gallery, Washington), begint zijn ontwikkeling als geniaal schilder in 1559, het jaartal dat op twee belangrijke werken voorkomt: De spreekwoorden (Gemäldegalerie, Berlijn) en De strijd tussen carnaval en vasten (Kunsthistorisches Museum, Wenen).

Het eerste is als een encyclopedie in beeld van 16de-eeuwse Vlaamse spreekwoorden en gezegden, met de bedoeling de menselijke dwaasheid te vertolken; het tweede heeft nagenoeg dezelfde bedoeling: het volk viert carnaval tussen kerk en kroeg, het kerkelijk feest ontaardt in een vertoon van de meest onchristelijke en onzinnige verdeeldheid.

De Kinderspelen (1560, Kunsthistorisches Museum, Wenen) worden voorgesteld in een ruimte die links een weids rivierlandschap vormt en zich rechts in een eindeloze straat uitstrekt. Bruegel schijnt hier een proefstuk van perspectiefkennis op Italiaanse wijze te willen geven. Triomf van de dood (1561-1562, Prado, Madrid) is een hels visioen: de mens vecht wanhopig tegen de dood, die niemand ontziet en onverbiddelijk een einde maakt aan macht, rijkdom en genot.

In Dulle Griet (1561-1562, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen) heersen waanzin en boosheid; de razende helleveeg waagt het zelfs tot voor de poort van de hel te roven; de bijkomstige personages en tonelen zijn even hallucinerend en fantastisch als de waanzinnige Griet. Dit werk staat zeer dicht bij Jeroen Bosch, evenals De engelenval (1562, Kon. Musea voor Schone Kunsten van Belgixeb, Brussel), die als een tegenhanger van Dulle Griet kan worden beschouwd, omdat hier het goede over het kwade zegeviert.

Met dit werk begint Bruegel een eerste reeks bijbelse voorstellingen, waartoe Sauls zelfmoord (1562, Kunsthistorisches Museum, Wenen) behoort. Een immense massa krijgers krioelt als mieren over de bergruggen. De nietigheid van de mens treedt nog sterker naar voren in de grote Toren van Babel (1563, Kunsthistorisches Museum, Wenen) en in de zogenaamde kleine Toren van Babel (1563, Museum Boijans-Van Beuningen, Rotterdam). Honderden minuscule figuurtjes lopen verloren op het reusachtige monument dat nooit voltooid werd.

Het onbegrip van de mensheid is ook weer het thema in Kruisdraging (1564, Kunsthistorisches Museum, Wenen), waar de meeste toeschouwers zelfs geen acht slaan op de Christus, die struikelt onder de last van het kruis. Aansluitend aan deze groep schilderde Bruegel in 1564 Aanbidding der wijzen (National Gallery, Londen) die is samengesteld uit grote figuren en gedeeltelijk teruggaat op de voorstellingswijze van de Vlaamse Primitieven. De figuren, ook de twee blanke koningen, zijn echte volkstypen.

Het jaar 1565 is het meest vruchtbare geweest van Pieter Bruegel; het was ook in dat jaar dat hij zijn beroemde landschappen schilderde. De belangrijkste zijn de twaalf maanden, een reeks van zes grote panelen, die elk twee maanden voorstellen. Hiervan zijn er vijf bewaard gebleven: Jagers in de sneeuw (december, januari), De duistere dag (februari, maart; beide Kunsthistorisches Museum, Wenen), Hooioogst (juni, juli; Nationaal Museum, Praag), De oogst (augustus, september; Metropolitan Museum, New York) en De terugkeer van de kudde (oktober, november; Kunsthistorisches Museum, Wenen).

Deze vijf meesterwerken behoren tot het beste dat in de Nederlanden op het gebied van landschapschildering is voortgebracht. Na deze grote serie volgden enkele bijbelse voorstellingen die zich in een landschap afspelen: De volkstelling te Betlehem (1566, Kon. Musea voor Schone Kunsten van Belgixeb, Brussel), De prediking van St.-Jan (1566, Museum voor Schone Kunsten, Boedapest) en Bekering van Paulus (1567, Kunsthistorisches Museum, Wenen). De schilderijen Boerenbruilof (1565-1566) en Dansende boeren (1565-1566; beide Kunsthistorisches Museum, Wenen) tonen duidelijk hoe Bruegel naar de figurencompositie overging.

Deze treft men eveneens aan in Luilekkerland (1567, Alte Pinakothek, Mxfcnchen), De misantroop (1568, Museo di Capodimonte, Napels), De kreupelen (1568, Louvre, Parijs) en in het indrukwekkende De parabel van de blinden (1568, Pinacoteca di Capodimonte, Napels), alle getuigenissen van een tot volle rijpheid gegroeid talent en van een grote, warme persoonlijkheid, die vol bekommernis om het lot van de mensheid haar gebreken ook aan de kaak stelt. Andere opmerkelijke panelen uit Bruegels laatste levensjaren zijn: De storm (1567, Kunsthistorisches Museum, Wenen) en Ekster op de galg (1568, Hessisches Landesmuseum, Darmstadt), een onovertroffen zeestuk resp. een schitterend landschap, beide mogelijk ook met symbolische inhoud.

Pieter Bruegel zette de traditie van zijn grote voorgangers voort. Door zijn zin voor realisme onderscheidt hij zich sterk van zijn Italianiserende tijdgenoten: zochten dezen hun inspiratie en vormentaal bij buitenlandse meesters, Bruegel keek naar zijn eigen boerenvolk en naar het land waarin dit volk zich volgens de harde wetten van het lot een bestaan zocht. Als geniaal meester heeft hij verscheidene kunstenaarsgeneraties bexefnvloed, zelfs nog in de tijd toen Rubens de Vlaamse schilderkunst naar een nieuw hoogtepunt voerde. Studies hebben aangetoond dat de 82 tekeningen x91naer het levenx92 niet van Bruegel maar van Roelant Savery zouden zijn.

Pieter Brueg(h)el II, de Jongere, bijgenaamd: de Helse Brueg(h)el, (Brussel 1564,  Antwerpen 1638), was de oudste zoon van Pieter Bruegel de Oudere en schijnt tot 1585 in het atelier van Gillis van Coninxloo te zijn opgeleid. In 1585 werd hij als meester ingeschreven in het Sint-Lucasgilde te Antwerpen. Tot zijn leerlingen behoorden zijn zoon Pieter III en Frans Snijders.

Pieter II kopieerde vele werken van zijn vader of volgde ze, met enkele varianten, voortreffelijk na. Zijn originele scheppingen zijn belangrijk, omdat zij het werk van zijn vader tot een flink eind in de 17de eeuw voortzetten, hoewel ze de geniale toets die het oeuvre van de vader kenmerkt, missen. Van Pieter de Jongere zijn bovendien enkele hellescxe8nes bekend. Hieraan heeft hij wellicht zijn bijnaam te danken.

Werk van Pieter II de Jongere bevindt zich o.a. in Museum Mayer van den Bergh (Antwerpen), Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Belgixeb (Brussel), Galerie Neue Rezidens (Bamberg), Uffizi (Florence), Pinacoteca di Capodimonte (Napels), Bonnefanten Museum (Maastricht), Museo del Prado (Madrid), Nationaal Museum (Praag).

Jan I de Oudere, bijgenaamd: de Fluwelen Brueg(h)el, (Brussel 1568,  Antwerpen 13 januari 1625), tweede zoon van Pieter Bruegel de Oudere, werd na de dood van zijn vader opgevoed door zijn grootmoeder Mayken Verhulst, en ging daarna te Antwerpen bij Pieter Goetkint in de leer. In 1589 vertrok hij naar Italië, waar hij verscheidene steden bezocht.

In 1596 keer hij terug naar Antwerpen, werd daar meester en was er in 1601 en 1602 deken van het Sint-Lucasgilde. Reeds tijdens zijn leven was hij een graag geziene en geprezen schilder. Als hofschilder van de aartshertogen Albrecht en Isabella leverde hij ook aan andere Europese vorstenhuizen. Hij was bevriend met Peter Paul Rubens, die enkele van zijn werken met figuren stoffeerde, evenals Hendrik van Balen, Hans Rottenhammer, F. Francken en anderen dat deden.

Zijn opmerkelijkste leerlingen waren Daniel Seghers en Abraham Govaerts. Hij muntte uit in het schilderen van landschappen en bloemstukken; zijn woudinterieurs staan dicht bij die van Gillis van Coninxloo in diens Amsterdamse periode. Vele van zijn landschappen zijn met allegorische, mythologische en bijbelse voorstellingen gestoffeerd. Ook andere onderwerpen beeldde hij uit: een groot aantal kleine dorps- en riviergezichten met talrijke figuurtjes stellen genreachtige taferelen uit het boerenleven voor. Van uitzonderlijke schoonheid en getuigend van een verrassende vaardigheid en een verfijnd kleurgevoel zijn zijn bloemstukken.

Werk van Jan I de Oudere bevindt zich o.a. in Museum Mayer van den Bergh (Antwerpen), Uffizi (Florence), Pinacoteca di Capodimonte (Napels), Rijksmuseum (Amsterdam), Mauritshuis (‘s-Gravenhage), Bonnefanten Museum (Maastricht), Stxe4delsches Kunstinstitut (Frankfurt a/M), Hessisches Landesmuseum (Kassel), Alte Pinakothek (Mxfcnchen; 30 schilderijen), Gemxe4lde Galerie (Dresden), Musxe9e du Louvre (Parijs), National Gallery (Londen), Wellington Museum (Londen), Museum voor Schone Kunsten (Boedapest), Kunsthistorisches Museum (Wenen; 20 schilderijen), Museo del Prado (Madrid; 40 schilderijen).

Pieter III (geboren in Antwerpen op 6 juli 1589), zoon van de Helse Brueg(h)el, duikt in 1608 voor het eerst op in de nota’s van het Antwerpse schildersgilde. Volgens dezelfde documenten zou hij in 1626-1627 Gonzales Coques als leerling hebben gehad, hoewel sommige auteurs beweren dat de Helse Brueg(h)el zelf diens leermeester zou zijn geweest. Er zijn weinig werken van hem bekend.

Jan II de Jongere (Antwerpen 1601 – 1678), oudste zoon van de Fluwelen Brueg(h)el, kopieerde voor kunsthandelaars landschappen en bloemstukken van zijn vader, die soms als authentiek werden verkocht en vaak moeilijk in stijl van die van Jan de Oudere zijn te onderscheiden. Uit enkele gesigneerde werken blijkt dat Jan II minder precies tekende en dat zijn coloriet wat lichter was.

Chiostro del Bramante
Arco della Pace 5, Rome

Brueghel. Meraviglie dell’Arte Fiamminga
Brueghel. Wonders of the Flemish Art
Van 18 december 2012 tot 2 juni 2013

Alle info: tel. +39 06 688 090 35

www.chiostrodelbramante.it

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 31 oktober 2012. Bekijk het origineel.