Todo Modo van Leonardo Sciascia herdrukt

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Een groep vrome notabelen, industriëlen en hoogwaardigheidsbekleders, gaat een week in retraite in een afgelegen hotel onder leiding van don Gaetano, een machtige priester met eigen opvattingen over de liefde en over het christendom. Tussen de spirituele oefeningen door wordt lekker gegeten en bij sommige notabelen komen blonde schoonheden de nacht opfleuren. Moet kunnen. Dan gebeurt het: tijdens een heftig gezamenlijk gebed wordt één van de vrome aanwezigen vermoord. Een dag later valt een tweede illustere gast vanaf de achtste verdieping te pletter. Machtigen onder elkaar. De dienstdoende commissaris kijkt er niet echt van op: vrome mensen, degene met het misboek in de hand, dat zijn de ergste, zo meent hij. Of heeft hij het helemaal mis en is er iets anders aan de hand…?

Leonardo Sciascia, reeds overleden in 1989, is altijd een buitenbeentje geweest. Hij schreef detectiveromans, maar de ontknoping liet hij achterwege. In plaats van één dader aan te duiden, nagelde hij liever hele organisaties of complete systemen aan de schandpaal. De verdwijning van Majorana, bijvoorbeeld, gaat over het failliet van de wetenschap, met haar atoombommen en andere massavernietigingswapens. Vaak was het ook de maffia die er van de Siciliaan Sciascia van langs kreeg, zoals in Ieder het zijne.

In Todo Modo, geschreven in 1974, sluit een bekende schilder zich aan bij de ‘geestelijke oefeningen’, een soort retraite, van een groep ‘ministers, kamerleden, presidenten en directeuren van banken, industriëlen… En ook drie krantendirecteuren.’ De geestelijke oefeningen, onder leiding van de priester don Gaetano zijn echter voor de meesten meer ‘een vakantie die de gelegenheid bood vruchtbare relaties te verstevigen, machts- en geldzaken te regelen, bondgenootschappen te ontmantelen en verraad met verraad te vergelden’. Dat laatste is misschien wel het geval wanneer een van de deelnemers wordt neergeschoten. Later vindt nog een man de dood wanneer hij van een terras wordt geduwd.

Een Sciascia is normaal al geen boek om je gedachten bij te verliezen. Dat geldt dubbel en dik voor Todo Modo. De reden is dat ditmaal geen actieve organisatie of een tastbaar instituut wordt aangeklaagd, maar eerder een zienswijze, een gedachtenwereld, een ideologisch standpunt. Het gaat letterlijk om geestelijke oefeningen, getuige de filosofische dialogen tussen de schilder en don Gaetano. Gelukkig brengt een nawoord opheldering, maar ook daarmee blijft Todo modo nog steeds een flink karwei.

Leonardo Sciascia werd in 1921 geboren op Sicilië. Zijn werk richtte zich op de politieke en sociale problemen van het eiland en vooral op de onderhuids opererende maffia. ‘Ik ken de maffia; ik heb haar vanaf mijn geboorte ingeademd…’ Zijn beroemdste roman, De dag van de uil uit 1961 (Serena Libri 1997), beschrijft het perfide verbond tussen maffiosi en politici. Vijf jaar later volgt een tweede meesterwerk over de maffia op Sicilië, Ieder het zijne (Serena Libri 2003). Calvino: ‘Ik heb het gelezen met de passie waarmee je een thriller leest…’ Ook in Todo Modo (1974) kiest Sciascia voor de detectiveroman om een indringend en bijtend beeld te schetsen van macht en machtsverhoudingen. Maar Sciascia beperkte zich niet tot Sicilië: L’ affaire Moro (1978) gaat over de Rode Brigades en de moord op Aldo Moro; De verdwijning van Majorana (Serena Libri 1998) over de atoombom en het morele failliet van de wetenschap. Tegen het eind van zijn leven schrijft Sciascia nog twee korte romans over de maffia en de omertà op Sicilië, Een duidelijke zaak en De ridder en de dood (Serena Libri 2001). Hij overleed in Palermo in 1989.

Volgens Ignatius van Loyola zijn spirituele oefeningen de beste manier om je te voegen naar de wil van God: ‘todo modo, todo modo, todo modo para buscar y hallar la voluntad divina…’

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 25 mei 2005 op het Romenieuws-archief.