Raadsels bij Termini

termi4

Avonturen met opschriften – XXVII

Zowat drie jaar geleden begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden, maar die uiteraard ook bijzonder leerrijk zijn voor alle anderen.

Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de 27ste bijdrage in deze reeks.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval.

Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.

Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit… Vandaag deel 27. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

Schrijver dezes reist in principe graag met de trein. In principe: dat wil dan wel zeggen zonder allerlei mondmaskercapriolen. Ook voor het werk heeft hij bewust gekozen voor de trein. Daardoor is hij dan ook goed op de hoogte van de bij tijd en wijle fantasierijke formuleringen van de spoortaal, het NMBS’isch.

Tot de meest tot de verbeelding sprekende taaluitingen hiervan hoort ongetwijfeld de formule ‘trein in nood’: wat hij zich daarbij moet voorstellen, is hem niet geheel en al duidelijk en hij sluit niet a priori uit dat deze formule dezelfde functie heeft als het heiligdom bij de archeologen. Indien dezen niet weten wat iets is, is het een heiligdom. Als de NMBS het ook niet meer weet, is de trein ‘in nood’.

Tot de hoogtepunten van de ervaring van Schrijver dezes met de treinwereld van de NMBS hoort ongetwijfeld die keer dat hij om 8 uur vanuit het station Leuven naar Brussel vertrok om vervolgens om 9 uur te arriveren in het station van … Leuven. Onderweg kwam alles stil te staan (jawel, wegens een ‘trein in nood’) en moesten alle treinen terug over (toen nog) het ene spoor tussen de twee Brabantse hoofdsteden. Achteruit dus, maar uiteraard (op dat drukke uur) stonden er al verschillende treinen tussen Leuven en Brussel stil en dat moest allemaal terug…

Of die keer dat de trein een omweg moest maken via Hofstade omdat het spoor tussen Leuven en Brussel geblokkeerd was, en de conducteur besliste om zijn reizigers te vergasten op een heel commentaar. ‘Aan uw linkerkant ziet u de achterkant van Plankendael.’ Schrijver dezes liegt niet. Schrijver dezes liegt nooit, zoals u weet. Het summum was dan ook wel een trein van de luchthaven (Leuven Airport International) en Leuven, die ernstig begon te vertragen, omdat – zo zei de toch zelf behoorlijk ongelovige stem van de conducteur – er bij Erps-Kwerps schapen waren ontsnapt en de politie bezig was om die te vangen. Toen Schrijver dezes de conducteur toen deze langskwam, om enkele nadere inlichtingen vroeg o.m. over de wijze waarop de politie schapen dacht te vangen, kon deze hem niet nader inlichten. Blijkbaar tot zijn eigen spijt…

Doch met Latijnse opschriften heeft dit niets te doen en met Rome nog minder. Het hoge woord moet er nu toch uit: Schrijver dezes zal op 21 april, na meer dan twee jaar, het gewijd grondgebied van de stad der steden betreden. Voor professionele doeleinden, dat wel, en u wilt niet weten wat hij daar allemaal gaat vertellen en aan wie, want uw computer kan zoveel importantie niet aan en barst uit elkaar.

Dat doet er verder ook niet toe: feit is dat Schrijver dezes weer naar Rome zal gaan en dat hij dus ook weer bij Stazione Termini zal komen en daar tegenover in de Giardino dei Cinquecento, de opschriftentuin die (in ieder geval tot aan corona) gratis te bezoeken is, net vóór de ingang van de Thermen van Diocletianus. De gevolgen van dat laatste kunnen verschrikkelijk zijn, want als Schrijver dezes nieuwe opschriften gaat ontcijferen, bent u als argeloze lezer uiteraard snel het haasje.

opschriften_termini (4)

Als opmaat voor dit alles legt Schrijver dezes u vandaag twee opschriften voor uit deze opschriftentuin. Ogenschijnlijk zijn het duidelijke opschriften. Maar u raadt het na 26 afleveringen al: niets onder de zon is normaal, dus ook hier heeft Schrijver dezes enkele juweeltjes van onwaarschijnlijke problemen uit gepuurd. Schrijver dezes is ontegensprekelijk briljant als het om het creëren van problemen gaat…

Laat ons beginnen met Servilia Vipsania Quieta. Want daar klopt heel wat niet. Eerst maar even de tekst. Die klopt ook niet, maar daar kunnen we nog wijs uit worden:

D M S
SERVILIAE VIPSANIAE
QVIAETE
V A LXV M V D I
MENANDER FIL
MATRI PIISSIMAE

D(is) M(anibus) S(acrum) / Seruiliae Vipsaniae / Quiaete (= Quietae) / u(ixit a(nnos) LXV m(enses) V d(iem) I / Menander fil(ius) / matri piissimae.

‘Gewijd aan de goden van de onderwereld. Voor Servilia Vipsania Quieta (die) 65 jaar, 5 maanden en 1 dag heeft geleefd, (heeft) haar zoon Menander (dit monument opgericht), voor zijn zeer toegewijde moeder.’

Piissimus is altijd moeilijk te vertalen. Schrijver dezes probeert het een keer met ‘meest toegewijde’. Wellicht niet geheel en al bezijden de waarheid. U hebt ongetwijfeld al gezien dat er één echte ‘spellingsfout’ in de tekst staat: QVIAETE i.p.v. QVIETAE. Niets om ons nu echt het hoofd over te breken, maar de oorzaak blijft wat in het duister.

Heeft de steenkapper zich hier gewoon vergist? Of speelt de ontwikkeling van de uitspraak mee; waarbij de ae steeds meer als e begon te klinken? Het opschrift is verder in mooie kapitalen gekapt en wordt eind 2de, begin 3de eeuw gedateerd (n.Chr.). Gezien de datering en de stijl van de uitvoering zou een dergelijke invloed van de uitspraak nog wat vreemd overkomen, maar hier is niets uit te sluiten.

Echt problematisch is dit allemaal nog niet. Servilia Vipsania Quieta heeft een voor die tijd behoorlijke leeftijd behaald. Haar zoon Menander moet tussen de 30 en de 45 zijn geweest, toen hij deze steen oprichtte. Maar nu komt het pas: want de rest klopt niet.

De steen verraadt enige financiële armslag bij Menander. Maar wat was hij, buiten de niet arme zoon van zijn moeder? Menander zelf is een Griekse naam, een naam zoals die eerder door slaven werd gedragen of door mensen met een slavenverleden. Dat gold op dat moment voor een aanzienlijk percentage van de Romeinse bevolking, dus daar is niet vreemds aan.

Maar vaak laten vrijgeborenen of vrijgelatenen nadrukkelijk hun statuut doorschemeren door te zeggen van wie ze vrijgelatene of zoon zijn. In het laatste geval: van de vader. Maar hier is noch van vader noch van meester sprake. Menander heeft er blijkbaar voor gekozen om zichzelf niet kenbaar te maken. Voor een slaaf lijkt het grafmonument gewoon te duur. Wat is er aan de hand?

Het kan zijn dat Menander nog slaaf was op het moment dat hij dit grafmonument liet oprichten, maar zoals gezegd, lijkt de steen eigenlijk te duur voor iemand in die positie. Het kan zijn dat hij vrijgeboren is of op zeer jonge leeftijd met zijn moeder vrijgelaten en in dat laatste geval gewoon niet de morele plicht voelde zich met zijn vroegere meester te associëren. Het kan zijn dat zijn vader al een hele tijd geleden gestorven is.

Of dat hij deze niet gekend heeft. Of dat deze zijn vrouw in de steek gelaten heeft, zodat Menander een wrok heeft ontwikkeld en daarom zijn vaders naam onvermeld heeft gelaten. We zullen het nooit weten. Uiteindelijk is dit probleem nog enigszins op te lossen door aan te nemen dat Menander zich op deze steen gewoon alleen met zijn cognomen heeft willen laten vereeuwigen. En dat we dus spijkers op laag water zoeken.

Maar zijn moeder stelt ons voor een heel ander probleem. Wat haar zoon te weinig heeft, heeft zij juist te veel. Traditioneel droegen vrouwen in het oude Rome alleen het nomen gentilicium: Antonia, Iulia, Flavia, Sulpicia, Cornelia etc. Weinig handig als je dan vier dochters hebt. Hoe men dat heeft opgelost, vertelt de geschiedenis ons helaas niet. In de Keizertijd blijkt dat systeem aangevuld en vinden we vaak twee namen voor vrouwen terug: het nomen gentilicium en een cognomen.

Slaven waren uiteraard een uitzondering, want die waren geen lid van een gens en droegen dus alleen een persoonlijke naam, vaak van niet-Latijnse oorsprong. Bij vrijlating kreeg een vrouwelijke ex-slavin ook het nomen gentilicium van haar vroegere eigenaar. Rubria Nape, waar het enkele nieuwsbrieven geleden over ging, is daar een voorbeeld van. Goed. Dat lijkt duidelijk. Nu naar Servilia.

Juist. U hebt allemaal de lagere school gedaan en dit is stof voor de eerste klas: Servilia Vipsania Quieta heeft geen twee, maar drie namen. Ai. Dat heet nu een probleem. Misschien een onwaarschijnlijk probleem, maar het is er toch een. Quieta laat weinig los (dat is een oxymoron, voor de ingewijden). Een naam van Latijnse herkomst, maar op zich kan die zowel aan een slaaf als aan een vrije gegeven zijn. Servilia en Vipsania zijn het echte probleem: dit zijn twee nomina gentilicia, kortom één te veel.

Je kunt in Rome maar lid van één familie of gens zijn. Wie geadopteerd werd, veranderde van gens. Een vrouw bleef in principe tot haar eigen gens horen en nam dus niet de naam van haar man aan. In tegenstelling tot wat in moderne tijden lang het gebruik geweest is. Conclusie: een Servilia kan eigenlijk nooit ook een Vipsania zijn. Dus: wat is er hier aan de hand?

En het ergste van al is: Schrijver dezes heeft geen idee. Dus: wie diept dit probleem uit?

Dat was raadsel 1. Nog een kleine anekdote (nu ja, anekdote): toen Schrijver dezes de laatste maal in het precoronatijdperk naar Rome ging, struinde hij net na aankomst ook weer even door de opschriftentuin van de thermen van Diocletianus (Schrijver dezes is nu eenmaal een merkwaardig man en loopt het liefst over Romeinse kerkhoven). Het opschrift van Servilia Vipsania Quieta was het eerste dat hij transcribeerde en fotografeerde op deze reis. Een memorabel moment en derhalve een memorabel vraagstuk waar hij zijn hoofd nog steeds over breekt…

opschriften_termini (7)

Tijd voor raadsel 2. En: voor wie nu wanhoopt wat hier de oplossing zal zijn, kan Schrijver dezes u meteen geruststellen: dit raadsel is opgelost.

Servilia Vipsania Quieta staat links van het pad als u de giardino betreedt, na het tweede grasperkje. De steen van raadsel 2 staat rechts van het pad tegen het buitenhek aan. Bekijken we eerst de tekst:

DIIS
MANIBVS
PRIMI
MESSALLINAE
NERONIS SER VERN
OPSONAT
VIXIT ANN XXI
STATILIUS HESYCHUS
PATRVVS P D S

Diis / Manibus / Primi / Messallinae / Neronis ser(ui) uern(ae) / opsonat(oris). / uix(it) ann(os) XXI. / Statilius Hesychus / patruus p(osuit) d(e) s(uo).

‘Voor de Manes van Primus, slaaf van Messalina van Nero, inkoper. Hij leefde 21 jaar. Zijn oom Statilius Hesychus liet dit oprichten van zijn eigen geld.’

Schrijver dezes realiseert zich dat de tekst van deze nieuwsbrief niet erg woke is, maar daar kan hij weinig aan doen. Vrouwen met minder namen dan mannen, slaven, het houdt niet op. Het minste dat we kunnen doen is ieder de moeite gunnen om ons deze personen te herinneren. Daarom ook waren grafopschriften voor Romeinen zo belangrijk: door het hardop lezen werd de naam van de overledene uitgesproken en bleef de herinnering aan die persoon even doorklinken en voortleven. Schrijver dezes laat hele horden voortleven als hij in Rome is…

Van Primus weten we eigenlijk heel wat. Hij was slaaf, is nooit vrijgelaten, had een functie van inkoper en is slechts 21 jaar geworden. Hij had een oom, Statilius Hesychus die in zijn naam duidelijk verraadt dat ook híj als slaaf begonnen is, Hesychus genaamd, Grieks voor ‘de Rustige’, Quietus in het Latijn. (Oh nee…) Maar het lijkt erop dat Hesychus wél vrijgelaten is en derhalve de naam van zijn patronus, Statilius, voerde. Dat oogt allemaal niet zo problematisch en, eerlijk gezegd: dat ís het ook niet. Het echte probleem zit elders. In Messalina.

opschriften_termini (1)

Nu schiet iedere half indommelende lezer wakker. Want Messalina: dat was toch die vrouw van Claudius die hopeloos over**** was?

Hoe dan ook: ja, die Messalina kennen we. Iuvenalis beschrijft haar in zijn beruchte zesde satire (tegen de vrouwen; Satirae, 6, 114-132):

Quid privata domus, quid fecerit Eppia, curas?
Respice rivales divorum, Claudius audi
Quae tulerit. dormire virum cum senserat uxor,
Linquebat comite ancilla non amplius una.
Sumere nocturnos meretrix Augusta cucullos
Ausa Palatino et tegetem praeferre cubili.
Sic nigrum flavo crinem abscondente galero
Intravit calidum veteri centone lupanar
Et cellam vacuam atque suam; tunc nuda papillis
Prostitit auratis titulum mentita Lyciscae
Ostenditque tuum, generose Britannice, ventem.
Excepit blanda intrantis atque aera poposcit.
[Continueque iacens cunctorum absorbuit ictus.]
Mox lenone suas iam dimittente puellas
Tristis abit, et quod potuit tamen ultima cellam
Clausit, adhuc ardens rigidae tentigine volvae,
Et lassata viris necdum satiata recessit,
Obscurisque genis turpis fumoque lucernae
Foeda lupanaris tulit ad pulvinar odorem.

‘Wat maak je je druk om een privéhuis, om wat Eppia doet?
Kijk naar de concurrenten van de goden, hoor wat Claudius
Verdragen heeft. Wanneer zijn vrouw merkte dat hij sliep,
Verliet ze het huis met maar één dienares als gezellin.
De keizerlijke hoer durfde de nachtelijke mantel te dragen
Op de Palatijn en aan een matje de voorkeur te geven boven een bed.
Zo verborg een blonde pruik haar zwarte haar als ze
In een oude mantel het broeierige bordeel betrad
En een lege kamer, de háre. Dan bood ze zich naakt te koop
Met vergulde tieten en noemde zich Lycisca,
Toonde jouw buik, edele Britannicus.
Ze nam de lievigheden van haar klanten aan en eiste geld.
[En continu liggend zwelgde ze in allemans gebeuk.]
Als dan de pooier zijn eigen meisjes naar huis stuurde,
Ging ze droevig weg en sloot haar kamer, als ze kon, als laatste,
Nog altijd brandend van de spanning in haar geile kut,
En vermoeid van mannen maar nog niet verzadigd ging ze weg.
Bevlekt, met duistere wangen, en vuil door de rook
Van de lamp bracht ze de bordeelgeur naar haar sponde.’

Suetonius en Tacitus zijn niet minder onvriendelijk in hun berichten over Messalina. Haar reputatie was gemaakt voor eeuwen. Zelfs moderne reisgidsen vermelden haar (en eerlijk gezegd: als moderne reisgidsen vrouwen uit het oude Rome vermelden, is dat zelden een goed teken, want dan gaat het bij voorkeur over de meest wellustige en verdorven wezens die op deze aardbodem rondgekropen lijken te hebben).

Zo spreken iets oudere Michelingidsen van Rome over de Suburra: ‘In de smalle steegjes lijkt nog steeds het spook rond te waren van de onzedelijke keizerin Messalina, die er heimelijk de bordelen bezocht’ (Nederlandse vertaling, 1999). Schrijver dezes is dit spook evenwel nog nooit tegengekomen. In recentere edities van de Michelingids is Messalina verdwenen, maar dat is niet zozeer het gevolg van een herziening van haar persoonlijkheid, als wel van de achteruitgang van de kennis van de klassieke wereld bij de gemiddelde Romereiziger. Ook in een andere gids heeft Schrijver dezes de vermelding van juist dit opschrift voor Primus bij de thermen van Diocletianus aangetroffen met een verwijzing naar de beruchte Messalina.

opschriften_termini (8)

De vraag is natuurlijk of het allemaal echt zo schandalig erg was met deze keizerin. Eerlijk gezegd, weten we het niet met zekerheid: onze literaire bronnen zijn bijzonder sterk gekleurd. Een van de verschilpunten tussen mannen en vrouwen was volgens Romeinse auteurs dat vrouwen een grotere seksuele lust zouden hebben dan mannen en dat ze er minder tegenin konden gaan, minder zelfbeheersing aan den dag konden leggen dan mannen. Vermoedelijk zal deze opinie een grondig vergelijkend onderzoek niet overleven, maar bij de beoordeling van dit soort verhalen dient men dit altijd in het achterhoofd te houden.

Daar kwam nog bij dat het er om ging om keizer Claudius eerder negatief te beschrijven. En een negatieve keizer betekende a fortiori ook dat zijn omgeving verdorven was. Dus maakte Messalina bij voorbaat bij de historici geen kans. Voeg daarbij dat brompot Iuvenalis sowieso alles wat overdrijft (hij schreef uiteindelijk satires, dus dat is nooit bedoeld geweest als een objectieve historische bron). Historici zouden daar rekening mee moeten houden, maar doen dat dus niet altijd… De conclusie is vermoedelijk dat Messalina geen onschuldig lammetje zal zijn geweest en wellicht diverse affaires zal hebben gehad, maar verder? We mogen echt wel wat van dit beeld af doen…

Helpt dit ons bij dit opschrift verder?

Nee.

Er is namelijk iets merkwaardigs aan de hand. Messalina wordt Neronis genoemd, ‘van Nero’. Nu heetten alle leden van de Julisch-Claudische familie behalve Caesar en Augustus Drusus en Nero en Claudius en Tiberius, maar het gebruik van het naamselement Nero voor keizer Claudius (voluit geheten: Tiberius Claudius Nero Caesar Drusus, wat had Schrijver dezes u net gezegd?) is zeer ongebruikelijk.

opschriften_termini (11)

Bovendien: vermelding van deze naam suggereert dat Messalina op het moment van dit opschrift nog met Claudius getrouwd was, want anders had het weinig zin om dat te vermelden. Nadat Messalina in ongenade gevallen was én gedood, zou de vermelding dat Primus juist bij haar als ‘inkoper’ actief was geweest, bovendien onwaarschijnlijk zijn geweest, want op dat moment was er geen eer meer mee te halen. Integendeel zelfs: iemand (in dit geval met name Statilius Hesychus, de oom van de overledene) zou er alle belang bij gehad hebben om elk verband te minimaliseren.

Volgend probleem: Dis Manibus. Eigenlijk komt de vermelding van de Manes, van de goden/geesten van de onderwereld, pas echt in zwang vanaf de Flaviërs. En zoals algemeen bekend: Claudius leefde en regeerde duidelijk vóór deze dynastie. Als het om de beruchte keizerin Messalina zou gaan, zou de vermelding van de Di Manes een van de allervroegste voorbeelden zijn. Kan, maar is toch opmerkelijk.

Dus hoe zit het? We hebben Messalina die in 48 gedood werd, maar het opschrift zou eerder later te dateren zijn, toen een vermelding van Messalina veeleer gewaagd was. Bovendien moet Primus wel verschrikkelijk jong als inkoper actief zijn geweest, wilde hij in de Flavische tijd 21 jaar zijn. 69 – 21 = 48, het sterfjaar van Messalina.

Rara, wat doen we hiermee?

Heel eenvoudig. We lezen het opschrift nog een keer…

Even niet meer denken aan wat de gidsen vertellen, maar de tekst. Drie elementen van belang: de vermelding van Dis Manibus (normaal pas vanaf de Flavische periode), de omschrijving van Messalina als Neronis en de naam van Primus’ oom. De laatste heet Statilius Hesychus, was dus vermoedelijk een vrijgelatene van iemand uit de gens Statilia. Dat is 1. Als Messalina Neronis wordt genoemd, is dat misschien wel omdat ze inderdaad de vrouw van Nero (d.w.z. de keizer die wij onder die naam kennen) wás en dus niet van Tiberius Claudius Nero Caesar Drusus. Dat is 2. En een vrouw van Nero zit aanzienlijk dichter bij de Flavische periode zodat de Di Manes minder verrassend zijn.

opschriften_termini (12)

En wat denkt u? Jawel, er ís een tweede Messalina. Ze heette Statilia (!!!) Messalina en was de derde vrouw van Nero (vanaf 65). Ze overleefde haar man, was dus geen slachtoffer van een systematische moordcampagne en bleef nog een tijd een gerespecteerde dame.

En dat is de Messalina die we zoeken. Primus was dus actief ergens in de jaren 60 en 70 van de 1ste eeuw n.Chr. Of hij Nero zelf aan het werk heeft gezien, weten we niet, zullen we ook nooit weten, maar met de wulpse Messalina uit de boekskes heeft hij nooit iets te maken gehad.

Misschien jammer voor de toeristen die denken dat ze de beruchte, o zo verdorven Messalina op het spoor zijn. Maar eerherstel voor Primus en Statilia Messalina. Dat mag ook eens. En bovendien: Schrijver dezes denkt dat ook Messalina van Claudius minder erg was dan haar reputatie. Romeinse brompotten konden verschrikkelijk brompotterig zijn en lieten hun fantasie dan wel eens érg wild waaien. Grensoverschrijdend gedrag dus…

Oorspronkelijk gepubliceerd op romenieuws.wordpress.com, op 15 april 2022. Bekijk het origineel.