Problemen op het Forum Romanum

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Avonturen met opschriften – IV

Enkele weken geleden publiceerden we voor het eerst een bijdrage in onze nieuwe reeks ‘Avonturen met opschriften’. Die is speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Deel I en Deel II kreeg je net als Deel III al te lezen. Dit is de vierde bijdrage in deze reeks.

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard. Op verzoek van S.P.Q.R. zal ik enkele van deze teksten voorstellen. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit… Vandaag deel 4.

Het zou eigenlijk allemaal zo simpel kunnen zijn. Je richt een gebouw op, je zet er een opschrift op en klaar is kees, alles is duidelijk. Dus niet. Eigenlijk weten we maar zelden echt wat we zouden willen weten. En soms weten we zelfs nauwelijks iets. En wat we dan weten is niet noodzakelijk wat we zouden willen weten. Dit blijkt zelfs het geval te zijn op het hart van Rome zelf, het Forum Romanum. In deze bijdrage komen drie opschriften op gebouwen (of wat er op het moment van overschiet) aan bod. En in alle drie is er iets mis.

Dit hangt natuurlijk met twee fundamentele dingen samen. Ten eerste zijn opschriften vaak uiterst lapidair. Daar komt ook het woord ‘lapidair’ vandaan, omdat het op steen = lapis gehouwen was. Sommige opschriften bevatten wetteksten of zijn kopieën van volledige akten. Andere opschriften zijn aangebracht op gebouwen, bases van standbeelden of grafmonumenten.

Wat ik nu vertel, geldt met name voor deze tweede groep. Lapidair wil zeggen ‘kort’, ‘beknopt’. Dat hangt samen met de beperktheid van het materiaal en met de vereiste leesbaarheid. Als je op een architraaf van een tempel een lang opschrift met letters van drie cm hoogte zet, leest niemand dat. Bovendien: een lang opschrift leest sowieso niemand, want dat kost te veel tijd. Het is de wet van een tekst die maar één computerscherm lang mag zijn.

Tweede element is dat wat er zo lapidair op het gebouw of monument gezet wordt, wordt bepaald door degene die dat er op zet. Met andere woorden: de inhoud van de mededeling wordt bepaald door de auteur, niet door degene die tweeduizend jaar later van alles zou willen weten. Dat betekent dus ook dat we ons altijd moeten afvragen waarom juist die bepaalde informatie wordt gepresenteerd, wat het belang van juist die inhoud is.

Zo valt op dat op nogal wat bouwopschriften juist niet gezegd wordt wat het voor een gebouw is. Dat blijkt dus vaak irrelevante informatie te zijn geweest voor de mensen in de oudheid zelf. Dat dit archeologen tot wanhoop zou drijven, was de Romeinen een zorg. Ze schreven wel voor de eeuwigheid, maar toch vooral voor hun eigen tijd.

Een mooi voorbeeld hiervan is de tempel van Saturnus tussen de Basilica Iulia en het Capitool of liever de Clivus Capitolinus. Zoals algemeen bekend rest van deze tempel nog het fronton op zes zuilen.

Op de architraaf staat het volgende opschrift:

(CIL, VI, nr. 937; http://www.manfredclauss.de/: EDCS-17301056)

SENATVS POPVLVSQVE ROMANVS
INCENDIO CONSVMPTVM RESTITVIT

Senatus populusque Romanus / incendio consumptum restituit

‘De senaat en het volk van Rome hebben (dit) hersteld nadat het door een brand verwoest was.’

Wat leert ons dit nu eigenlijk? Niet wat het voor een tempel is, niet wanneer en door wie het gebouwd is, alleen dat het ooit na een brand door de Senatus PopulusQue Romanus is hersteld. Maar welke brand dat geweest is, blijft ook onduidelijk. Gezien het feit dat gebouwen op het Forum (en tempels in het algemeen) met enige regelmaat afbrandden, is die informatie maar beperkt nuttig.

Elke Romein wist natuurlijk dat het om de tempel van Saturnus ging, dus die vermelding was volstrekt overbodig. Op het Leuvense stadhuis staat ook geen bordje ‘stadhuis’, om maar iets te noemen, en zeker geen oude aanduiding, want toeristische diensten plaatsen bordjes voor andere lieden dan de mensen voor wie de gebouwen eigenlijk bedoeld zijn.

Waar het in dit opschrift om ging was dat het initiatief voor de herbouw duidelijk genomen was door de Senaat en het Volk van Rome, met andere woorden: door de goeie ouwe senaat en dus niet in opdracht van een keizer.

Dat past op zich perfect in de derde-vierde eeuw, wanneer de keizers steeds vaker buiten de hoofdstad resideren en de senaat – net als de senatoriale adel – zich opnieuw opwerpen bij restauraties, nieuwe monumenten enz. Na een duidelijk keizerlijke fase, waarin de keizer bepaalde wat er gebouwd werd op het Forum, doet zich een nieuwe senatoriale fase voor.

Dat lost het probleem van de datering natuurlijk niet op en daar is dan inderdaad nog steeds enige discussie over. Het opschrift helpt niet alleen de archeologen niet, omdat er eigenlijk geen tastbare informatie in staat, maar het zadelt hen zelf met bijkomende problemen op.

De rest van de geschiedenis van dit complex dat uiteindelijk teruggaat tot het begin van de vijfde eeuw vóór Christus, blijft epigrafisch volledig buiten beeld. We zien alleen hoe de senaat met de bekende formule SPQR zijn autoriteit weer doet gelden.

Niet alle opschriften zijn zo lastig. Schuin tegenover de tempel van Saturnus staat het heiligdom voor Antoninus Pius en Faustina. Met een opschrift dat a) duidelijk zegt aan wie het heiligdom is toegewijd, en b) wie dat heeft opgericht, en c) dat nog volledig is ook.

(CIL, VI, nr. 1005; http://www.manfredclauss.de/: EDCS-17400007):

DIVO ANTONINO ET
DIVAE FAVSTINAE EX S. C.

Divo Antonino et / Divae Faustinae ex s(enatus) c(onsulto)

‘Aan de goddelijke Antoninus en de goddelijke Faustina op grond van een besluit van de senaat.’

Er lijkt geen vuiltje aan de lucht. Dat de naam van het keizerspaar hier vermeld is, heeft natuurlijk te maken met het feit dat het om een nieuw heiligdom gaat waarvan de toewijding niet per definitie sinds eeuwen al bekend was.

Bovendien helpt het om de herinnering aan een persoon te bewaren, als de naam vermeld wordt: een tempel voor de keizercultus zonder de naam des keizers schiet schromelijk te kort.

Aangezien het aan de senaat was voorbehouden een keizer(in) te vergoddelijken, is ook de vermelding van de senaat vanzelfsprekend en zonder bijbedoelingen.

Zoals gezegd: er lijkt geen vuiltje aan de lucht. Alleen schijn bedriegt, want dit is niet één opschrift, het zijn er twee. In de literatuur is steeds opnieuw te vinden dat de tempel in 141 werd opgericht voor Faustina die toen net gestorven is en dat na Antoninus’ dood de tempel ook aan hem werd toegewijd.

Dat wil zeggen dat de tweede regel ruim twintig jaar ouder is dan de eerste. Wie heel goed toekijkt, ziet kleine verschillen in de letters tussen de eerste en de tweede regel. Zo is met name de I in de tweede regel net iets langer en steekt deze ook boven de andere letters uit, terwijl dat in de eerste regel niet het geval is.

Enig probleem: hoe voor de hand liggend is het dat men dat eerste opschrift op het onderste stuk van de architraaf heeft gezet? Esthetisch is een plaatsing op de balk daarboven veel mooier. Is het Faustina-opschrift dan van plaats gewisseld of heeft men al vanaf het begin een mogelijke uitbreiding tot Antoninus Pius voorzien?

De archeologen mogen het zeggen. Dat is het heerlijke van classicus-zijn: als dit soort problemen echt onduidelijk of te ingewikkeld wordt, kunnen we het gewoon aan collega’s doorschuiven!

We steken het plein weer kriskras over en gaan naar de tempel van Vespasianus met het heerlijke opschrift:

(CIL, VI, nr. 938; http://www.manfredclauss.de/: EDCS-17301057):

[…]ESTITUER

r]estituer(unt/e)

‘hebben gerestaureerd.’

Dit opschrift is in alle onderdelen het tegendeel van het vorige, want a) het zegt niet aan wie het gebouw is toegewijd, b) of wie het heeft toegewijd en c) het is absoluut niet volledig.

Het is in strikte zin ook geen bouwopschrift; maar een restauratie-opschrift, net als dat op de Saturnustempel. Als we geen geluk hadden gehad, hadden we aan dit opschrift nu eens echt niets gehad, want dat een niet-genoemd gebouw eens ooit door onbekenden op een onbekend moment hersteld is, is weinig informatief.

Maar we hebben geluk. Ik weet dat ik als ik op het Forum rondwandel met mijn aantekenboekje waarin ik vlijtig opschriften noteer, voor de meeste bezoekers nogal als een zonderling moet overkomen, maar ik ben niet alleen.

Eén van de eerste toeristen in Rome van wie we een spoor hebben, deed dat al. Het gaat om de zogenaamde Anonymus Einsidlensis, de anonieme van Einsiedeln, waarbij dat laatste verwijst naar de Zwitserse abdij waar het handschrift dat deze Anonymus heeft vervaardigd bewaard wordt.

Deze man (vermoedelijk?) heeft in de negende eeuw een Romereis gemaakt en bij die gelegenheid allerlei opschriften genoteerd. Voor ons een geluk, omdat er toen veel meer rechtstond dan nu het geval is. En zo lezen we de volledige tekst:

(Einsiedeln, Stiftsbibliothek, ms. 326, f. 72v; zie https://www.e-codices.unifr.ch/de/description/sbe/0326):

diuo uespasiano augusto S.P.Q.R.
imp(eratores) caes(ares) seuerus (et) antoninus pii felic(es) aug(usti) restituerunt

‘De senaat en het volk van Rome voor de goddelijke keizer Vespasianus.
De keizers Severus en Antoninus hebben (dit) hersteld.’

Het ziet er zowaar naar uit dat we alles weten wat we weten moeten behalve het jaar waarin de bouw plaats had. Bovendien vermelden sommige klassieke teksten ook nog een wijding aan Titus die niet door het opschrift geschraagd werd. We weten ook niet of het opschrift vernieuwd is of wat de restauratie onder Septimius Severus inhield.

Dat laatste is overigens de archeologen sowieso niet duidelijk. Bevatte een oorspronkelijke tekst eventueel wel de naam van Titus? Gelukkig, ik werd al bang, maar er is nog genoeg te doen voor archeologen, oud-historici, classici en epigrafisten…

Maar in vergelijking met andere gevallen vertelt het opschrift relatief veel.

Eén klein punt nog. De afwezigheid van het slot van de uitgang van restituerunt is niet aan materiaalverlies te wijten: het gaat om een afkorting. Vandaar ook het gebruik van de haakjes zoals boven.

Vermoedelijk heeft men uit esthetische redenen beslist om deze uitgang –unt (of eventueel: -e) niet voluit te schrijven. Dat betekent dus ook dat de Anonymus Einsidlensis die uitgang spontaan heeft aangevuld en dat zijn transcriptie niet conform onze moderne standaarden was. Geen verwijt aan de Anonymus, maar het betekent wel dat zijn transcriptie niet noodzakelijk 100% getrouw is.

Nog een punt. (Anders maak ik mijn reputatie van iemand die het beter weet, niet waar…!). De aanduiding van Septimius Severus en Caracalla (= Antoninus) is ongewoon kort voor hun doen.

Voor Geta lijkt in de formule geen plaats, maar of dat het gevolg is van een verwijdering na de broedermoord of dat het nooit bedoeld was om dit te vermelden, blijft in het midden. Niets garandeert ons dat de Anonymus een weggebeitelde regel als een damnatio memoriae zou hebben herkend…

Zoals in het opschrift op de boog van Septimius Severus duidelijk te zien is (maar ook op nog tenminste drie andere plaatsen in de stad), hadden ze eigenlijk drie regels nodig voor hun titulatuur. Hier zijn ze uitermate bescheiden. Dat kan te maken hebben met het feit dat ze min of meer in hetzelfde register wilden blijven als Vespasianus.

Het contrast (en de lengte van het opschrift) mocht niet te groot zijn, anders schoot de interventie haar doel voorbij: een exuberant lange titulatuur van Septimius en Co zou ten voordele van Vespasianus werken. Bovendien leidt een lange tekst noodzakelijk tot kleine letters. En dan werd er ook een contrast geschapen, eveneens ten nadele van Severus.

De interventie van Septimius Severus had vooral tot doel zich op een centrale plaats in de stad, op het Forum, onder de aandacht te brengen, en door de verbinding met de positief te boek staande Flavische keizers, meer bepaald met Vespasianus, diens goede reputatie op zichzelf te doen afstralen.

Uit wat we van dit (dubbel)opschrift weten, is duidelijk dat de vermelding van Severus en Caracalla zeker even belangrijk was als die van Vespasianus. Voeg daarbij nog dat de expliciete vermelding van Caracalla ook dynastieke aspiraties vertoont – net zoals Vespasianus opgevolgd werd door zijn zoon, en er ontspint zich een betekenisvol verband.

Of zie ik nu te veel? Classici zijn uiteindelijk heel bekwaam in het te veel in een tekst lezen…

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 28 augustus 2019. Bekijk het origineel.