Pilaren van de samenleving

img 13778 0

Avonturen met opschriften – XVIII

Twee jaar geleden begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de achttiende bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.

Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel XVIII. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.

* * * * *

U zult het Schrijver dezes, waarde lezer, wel niet euvel duiden als hij zegt dat Rome vol nutteloze dingen staat. Net het nutteloze heeft vaak zijn charme. Uiteindelijk: als we stadsdelen en gebouwen beoordelen op het werkelijke nut, dan kan het Forum Romanum wel meteen tegen de vlakte (met excuses aan onze goede vriend Guido Cuyt en andere Forumminnaars!). Gelukkig zijn er andere criteria en mag het Forum blijven staan. Voorlopig althans.

Maar er zijn in Rome nu eenmaal volstrekt nutteloze bouwsels. Dingen die niets doen en ook nooit iets gedaan hebben. De zuilen van de tempel van de Dioscuren staan daar op het Forum sinds enkele eeuwen ook niets te doen, maar ze hebben tenminste ooit ergens voor gediend.

Dit is evenwel niet altijd het geval: er zijn ook volstrekt nutteloze zuilen die nooit in hun carrière iets hebben geschraagd. En de ironie van de geschiedenis wil dat nu net deze zuilen de bekendste zijn. Het zijn aandachtstrekkers. Het zijn pilaren van de samenleving…

zuilen(11)

De bekendste – en de mooiste, zonder enige twijfel – is de Zuil van Trajanus. Centraal visueel punt van het Forum van Trajanus is deze zuil een monument voor Trajanus’ Dacische oorlogen van 101-102 en 105-106.

Uiteraard: vanuit het standpunt van de vlaag politieke correctheid die ons bij tijd en wijle noopt schoon schip te maken met van alles, is het duidelijk dat dit monument dat een brute expansionistische en imperialistische oorlog verheerlijkt en legitimeert, zo snel mogelijk van zijn sokkel moet worden verwijderd.

We zouden daarmee wel een hoogtepunt van klassieke Romeinse reliëfkunst mislopen en tevens de gelegenheid om eens goed na te denken over de historische gebeurtenissen die de aanleiding ertoe waren, want eens de Zuil van Trajanus resoluut uit het stadsbeeld is verwijderd, verdwijnt ook de Dacische oorlog uit ons beeld en geheugen.

Laat ons daar dan maar abstractie van maken (Schrijver dezes bergt nu echt zijn destructieve neigingen even op; u schrijft dat maar toe aan coronamoeheid en dito agressie) en onze aandacht andermaal richten op de zuil zelf die daar als een enorme marmeren boekrol staat te pronken met de bekende omhoog slingerende en wentelende reliëffries die de beide Dacische oorlogen in beeld brengt met een aan het ongelooflijke grenzend gevoel voor levendigheid en detail.

zuilen(1)

Nooit eerder zag men het Romeinse leger zo vechten, bouwen, offeren, rivieren oversteken, naar de keizer luisteren en overwinnen als op deze zuil. Tegelijk hoort het – en Schrijver dezes vermoedt dat u dat zult beamen – tot de meest vexatoire monumenten die de beschouwer kwellen, tergen, pesten tot het uiterste doordat slechts een klein deel zichtbaar is: wat hoger is afgebeeld, verdwijnt in de ruimte en door het feit dat het terrein van het Forum van Trajanus aan de voet van de zuil meestal is afgesloten, is het ook onmogelijk om al rondlopend het stenen relaas te volgen.

zuilen(12)

Dat laatste is bij die andere zuil, die van Marcus Aurelius (foto boven en hieronder), wel mogelijk. Schrijver dezes heeft ooit – hij bekent het zonder schaamrood – een hele tijd rondjes gedraaid rond de Zuil van Marcus Aurelius om de verwikkelingen te volgen.

Hij vermoedt dat de veiligheidsagenten bij het Palazzo Chigi hun wenkbrauwen wel gefronst zullen hebben, maar dat is hem worst.

Uiteindelijk ging ook daar het verhaal de hoogte in en verdween uit zijn gezichtseinder, maar wat hij gezien had, had hij tenminste gezien. Deze Zuil van Marcus Aurelius blijft hier nu buiten beschouwing, we keren terug naar die van Trajanus.

zuilen(9)

Zoals u weet, hadden bezoekers in de oudheid het aanzienlijk gemakkelijker, want zij konden althans een deel van dit reliëf ook nog vanaf de daken van de flankerende gebouwen bewonderen. Die gebouwen zijn lang geïdentificeerd als bibliotheken, een voor de Griekse werken, een voor de Latijnse, maar daar schijnt tegenwoordig twijfel gerezen te zijn en men duidt ze nu ook wel als archiefruimten.

Het verschil ontgaat u mogelijk, maar is wezenlijk. Archiefmensen en bibliotheekmensen kijken met diametraal tegengestelde blik naar dezelfde objecten. Het is Schrijver dezes, toch voor geen kleintje vervaard, onduidelijk hoe archeologen uit niet bewaarde gebouwen kunnen afleiden of het archiefruimten dan wel bibliotheken betreft, maar soit.

Enkel de Grote Speurder is wellicht in staat hier soelaas te bieden, want hij is nu eenmaal alom bekend als een Groot specialist (ja, Groot met hoofdletter) van verdwenen handschriften. Quae cum ita sint, het is wellicht nooit een bibliotheek gelukt om dalende lezersaantallen eleganter op te vangen dan hier bij de Zuil van Trajanus.

zuilen(4)

De Zuil van Trajanus was alleen meer dan een visueel centrum van het complex van het Forum van Trajanus en een amusement voor leesmoede bibliotheekbezoekers die zich nog net één trap op konden wurmen. Het was ook een grafmonument en als zodanig absoluut uniek, want het was al sinds de wet van de XII Tafelen uit de 5de eeuw v.Chr. absoluut verboden binnen het heilige stadsgebied van Rome, het pomerium, overledenen te begraven.

Bij grote uitzondering en speciale toestemming werd de as van Trajanus evenwel in de ruimte beneden, in de sokkel van de zuil, bijgezet. Vandaar ook dat de ingang die zich aan de zijde waar u niet kunt komen, bevindt en dus niet te zien is, wel degelijk een praktisch doel had.

zuilen(3)

De gouden urn voor des keizers as is al eeuwen verdwenen, evenals des keizers beeld dat bovenop prijkte en sinds paus Sixtus V vervangen wordt door een beeld van de apostel Petrus.

Het is Schrijver dezes gelukt om tot allerlei mogelijke en onmogelijke plaatsen in Rome door te dringen. Hij kan Vaticaanstad inlopen met een geldig legitimatiebewijs (nl. zijn lezerskaart van de Biblioteca Apostolica Vaticana), hij is in de kazerne van de Zwitserse garde geweest (en er weer onbeschadigd uit gekomen), hij is zelfs eens ooit doorgedrongen tot de vertrekken van het Staatssecretariaat in het Vaticaans paleis waarbij hij in elke ruimte op elke verdieping steeds weer besalueerd werd door een Zwitserse gardist.

Maar hij heeft nog nooit recht voor het opschrift van de Zuil van Trajanus gestaan. Vooruit, niet getreurd: despereert niet (als het tenminste nog is toegestaan deze leuze aan te halen?). Voor één keer is de transcriptie geen eigen werk ter plaatse, maar 100% thuiswerk, télétravail, u kent dat onderhand ook wel.

SENATVS POPVLVSQVE ROMANVS
IMP CAESARI DIVI NERVAE F NERVAE
TRAIANO AVG GERM DACICO PONTIF
MAXIMO TRIB POT XVII IMP VI COS VI PP
AD DECLARANDVM QVANTAE ALTITVDINIS
MONS ET LOCVS TAN[…]IBVS SIT EGESTVS

Senatus populusque Romanus / Imp(eratori) Caesari Diui Neruae f(ilio) Neruae / Traiano Aug(usto) Germ(anico) Dacico Pontifici(i) / Maximo trib(unicia) pot(estate) XVII imp(eratori) VI co(n)s(uli) VI P(atri) P(atriae) / ad declarandum quantae altitudinis / mons et locus tan(tis) (oper)ibus sit egestus.

‘De senaat en het volk van Rome aan Imperator Caesar Nerva Trajanus, zoon van Nerva, Germanicus Dacicus, pontifex maximus, voor de 17de maal bekleed met de tribunicia potestas, voor de zesde maal imperator, voor de zesde maal consul, Vader des vaderlands, om aan te geven van welke hoogte de berg en deze plaats met zoveel inspanning is vrijgemaakt.’

U hebt inmiddels door toedoen van Schrijver dezes (vreest hij) voldoende ervaring opgebouwd met de eigen stijl van Romeinse opschriften, zodat u zich niet laat ontmoedigen door de lange titulatuur (die in de loop van de 2de eeuw alleen maar langer zou worden, totdat de Severi hun opschriften alleen nog op de monumenten kregen door kleinere letters te gebruiken waardoor het opschrift bijna onleesbaar wordt: men moet keuzes maken in het leven) en u meteen ziet dat dit monument een echt bouwopschrift is. Of lijkt. Ai. Wat is het nu?

zuilen(8)

Laat ons bij het begin beginnen. Zoals op andere minder autocratische monumenten staat hier de naam van de oprichter als eerste en dat is SPQR. Het is opvallend dat het initiatief niet uitgaat van de keizer (zoals we ooit bij de Severi hebben gezien), maar van de senaat die nog altijd in naam bekrachtigt.

Veel meer dan ook precies dat: bekrachtigen, had de eerbiedwaardige vergadering niet te doen, maar de adoptiefkeizers die zich in alles ten goede wilden onderscheiden van Domitianus, hielden vast aan de senatoriale illusie. Goed, toegegeven: zo moeilijk was het niet om je in positieve zin van Domitianus te onderscheiden, maar dan moet je het nog wel doen natuurlijk.

Volgens de ‘fictie’ van dit opschrift is het dus de senaat die dit monument wijdt aan de keizer die landsheerlijk drie regels (= de helft) staat te pronken op dit opschrift. Classici, oudhistorici en archeologen hebben vaak de bijna onbedwingbare neiging om aan een zin als deze een lijdend voorwerp toe te voegen, eerst in het Latijn alsof de senaat en het volk van Rome dat niet beter kennen dan wij, dan in vertaling, waarbij dan ook het schoolmeesterachtige: ‘bij te denken’ gevoegd wordt.

Niets bij te denken: het lijdend voorwerp staat er gewoon bij. Dat is namelijk het monument waarop de inscriptie staat. Taal is meer dan tekst, tekst is meer dan taal, de context, zowel literair, textueel als archeologisch dient evenzeer bij het opschrift te worden betrokken als de expliciet in taal gegoten elementen. Maar nu is Schrijver dezes natuurlijk weer wat schoolmeesterachtig en professoraal…

Trajanus’ titulatuur is uiteraard overeenkomstig de gewoonte in republikeinse magistraturen gegoten. Hij was consul, had de macht van de volkstribunen en was de hoogste priester van de Romeinse godsdienst.

Zijn verre voorganger Augustus had deze geniale formule bedacht: tijdens het Keizerrijk was het totaal zinloos om de Republiek te willen herstellen zoals reactionaire types als ene Tacitus nog wel wilden (de man had meer succes als schrijver), want de Republiek wás hersteld. En wel door de keizer. Dat verklaarden ze allemaal bij het begin: dat ze de Republiek hersteld hadden door in hun eentje de baas te spelen. Je moet er maar opkomen.

zuilen(5)

Dynastieke continuïteit blijkt uit de verwijzing naar Nerva, de senator die in 96 verkozen werd om Domitianus op te volgen. Een bescheiden man, met ook een geniale inslag. In het besef dat hij het nooit tegen het leger zou kunnen bolwerken, adopteerde hij meteen Trajanus die daardoor in 113 inderdaad voor de 17de maal de tribunicia potestas, de macht van volkstribunen, had.

Dat hield met name het vetorecht in, altijd handig als de meerderheid eigenzinnig wordt. Democratie is een mooi ding, maar men moet niet overdrijven en wel doen wat ik wil, nietwaar? Germanicus en Dacicus zijn cognomina die de keizer verdiend had met zijn militaire prestaties tegen de barbaarse Germanen en de nog ergere Daciërs. Later zou Trajanus ook nog Parthicus worden.

Tot zover is het allemaal nog eenvoudig. Maar nu worden de letters wat kleiner en u weet: het venijn zit in de staart en in de kleine lettertjes (uenenum in paruulis litteris). Want wat staat daar nu eigenlijk? Om het leuk te maken hebben we eerst een lacune, gevolg van een soort afdakje dat daartegen gezeten heeft. Gelukkig is deze maar klein en niet onoverkomelijk.

De voorlaatste regel begint met ad declarandum ‘om duidelijk te maken, om te verklaren, om aan te geven’. Dit suggereert dat het doel van het opschrift nu zal volgen. Daarmee staan we een beetje op het verkeerde been, want tot nog toe had het opschrift de aanschijn van een gewone wijding van een bouwwerk. Nu verschuift de constructie en het doel van de zin.

Normaal zouden we verwachten dat nu de reden van de opdracht en toewijding zou volgen, nl. de verdiensten van de keizer (militaire overwinningen of het herstellen van de republiek of heel algemeen zijn weldaden). Maar niets van dat al: quantae altitudinis ‘van welke hoogte’. Dat volgt er. Het is om van te duizelen.

zuilen(10)

Toen Schrijver dezes op school Latijn leerde (zelfs hij heeft dat moeten doen), moest hij steeds eerst het werkwoord van de hoofdzin zoeken en het onderwerp en het lijdend voorwerp. Nu is Schrijver dezes nogal rebels op zijn tijd, dus op een gegeven moment heeft hij die hele handel aan de kant gezet en is hij begonnen te lezen zoals een Romein dat ook deed: gewoon vanaf het begin.

Dat probeert hij nu ook te doen. En juist dan, zonder dat je vertrekt vanaf de volledige zin, maar zoals de zin zich langzaam ontsluit, valt des te sterker het bevreemdende van deze tekst op. Welke hoogte is bedoeld? Geduld, pazienza, Rome is niet op één dag gebouwd.

De laatste regel geeft verlichting. Althans: misschien. Mons et locus tan(tis) (oper)ibus sit egestus ‘de berg en deze plaats met zoveel inspanning is vrijgemaakt’: wat betekent dit? De aanvulling van tan[…] tot tan[tis] ligt voor de hand, aangezien de ibus op een ablatief meervoud wijst.

Operibus als aanvulling is wat gewaagder, maar niet zinloos. Het suggereert grote inspanning. Egestus is afkomstig van egerere ‘wegdragen’. Het onderwerp is dan mons et locus ‘berg en plaats’. Het ligt dan ook voor de hand om dit te interpreteren dat er op deze plaats een stuk berg is weg gegraven en dat de zuil de hoogte van het weg gegraven gedeelte aangeeft.

Op deze manier heeft men dit opschrift ook altijd geïnterpreteerd, maar helaas beweren sommigen nu dat dat geologisch niet kan. Eerlijk gezegd, zodra archeologen over iets beginnen te vechten, maakt Schrijver dezes dat hij weg komt: niets is zo gevaarlijk als vechtende archeologen, met die schoppen. Filologen kunnen ook ingemeen zijn, maar boeken die door een bibliotheek vliegen, doen minder pijn.

zuilen(6)

Laat het er ons op houden dat de tekst inderdaad suggereert dat er tot de hoogte van het monument grond is weggehaald. Er staat in ieder geval NIET dat dat per se op deze plaats het geval was. Er staat wel dat de opdrachtgever van het opschrift als eerste doel dit wilde aangeven. Of dat ook het eerste doel van de zuil was, is weer een andere kwestie. Zoals u weet, geeft het reliëf daar in ieder geval geen reden toe.

Iets verderop staat nog zo’n nutteloze zuil. En ook deze is de hele middeleeuwen en renaissance ongemoeid gelaten. Men heeft zich gedurende decennia afgevraagd wat voor zuil het nu eigenlijk was en daarvoor het ene bouwwerk na het andere verzonnen, zonder dat ooit iemand op het idee is gekomen om eens te gaan graven. Het opschrift zat namelijk grotendeels onder de grond.

Toen de tekst tevoorschijn kwam, werd dit algemeen geduid als het laatste monument op het Forum. ‘Onzin!’ roepen als uit één mond eminente en erudiete personen als Guido Cuyt en Schrijver dezes (die dus samen aan een boek over het Forum Romanum werken, einde van deze reclameboodschap).

Ze hebben allebei gelijk, maar om verschillende redenen. Schrijver dezes heeft gelijk (dat heeft hij bijna altijd, zoals u tot uw ergernis en verveling al gemerkt zult hebben), omdat dit niet het laatste monument op het Forum was, aangezien men nog eeuwen is blijven bouwen: huizen, kerken, fonteinen.

zuilen(7)

Dat is tijdens de archeologische opgravingen allemaal weggehaald en alles wat ervan verdacht werd ook maar één seconde jonger te zijn dan 476 n.Chr. werd onverbiddelijk geweerd, alsof het Forum Romanum in zijn laat-klassieke vorm het onaantastbare nec plus ultra was.

Hierdoor is het Forum in feite in de tijd gefixeerd, terwijl het centro storico laat zien wat een levende stad is, waar de resten uit de oudheid in een onvermoeibare reeks van recycling en stadsvernieuwing tot nuttiger zaken zijn aangewend.

Maar ook Guido Cuyt heeft gelijk. En dat had men al veel eerder kunnen weten als men de tekst maar goed gelezen had. U hebt inmiddels wellicht / mogelijk al door dat het hier om de Zuil van Phocas gaat, een buitengewoon onaangenaam en onherinneringswaardig individu die zijn voorganger op de keizerlijke troon én diens hele familie heeft uitgemoord (goed: qua grondigheid is daar niets op toe te geven).

Zijn enige verdienste en tegelijk de reden waarom de exarch van Italië = de Byzantijnse gouverneur Smaragdus deze zuil aan Phocas heeft toegewijd is dat Phocas het Pantheon aan de paus geschonken had om er een kerk van te maken. Bof, grote verdienste!

De man zat in Byzantium en is nooit in Rome geweest; hij kon toch niets met het gebouw doen en het kostte hem geen cent, as, denarius of wat dan ook. Dan heeft Schrijver dezes ook wel enige zuil verdiend, vindt hij.

Lezen we het opschrift en zien we daarom waarom Guido gelijk heeft:

OPTIMO CLEMENTISS[…]MOQVE
PRINCIPI DOMINO N. F[…]ORI
PERPETVO A D.O CORONATO, [.]RIVMPHATORI
SEMPER AVGVSTO
SMARAGDVS EX PRAEPOS. SACRI PALATII
AC PATRICIVS ET EXARCHVS ITALIAE
DEVOTVS EIVS CLEMENTIAE
PRO INNVMERABILIBVS PIETATIS EIVS
BENEFICIIS ET PRO QVIETE
PROCVRATA ITAL. AC CONSERVATA LIBERTATE
HANC STA[…]TIS EIVS
AVRI SPLEND[…]NTEM HVIC
SVBLIMI COLV[.]NA[…] PERENNEM
IPSIVS GLORIAM IMPOSVIT AC DEDICAVIT
DIE PRIMA MENSIS AVGVSTI, INDICT. VND.
P. C. PIETATIS EIVS ANNO QVINTO

Optimo clementiss[imo piissi]moque / principi Domino N(ostro) F[ocae imperat]ori / perpetuo a D(e)o coronato, [t]iumphatori / semper augusto / Smaragdus ex praepos(ito) sacri palatii / ac patricius et exarchus Italiae / devotus eius clementiae / pro innumerabilibus pietatis eius / beneficiis et pro quiete / procurata Ital(iae) ac conservata libertate / hanc sta[tuam maiesta]tis eius / auri splend[ore fulge]ntem huic / sublimi colu[m]na[e ad] perennem / ipsius gloriam imposuit ac dedicavit / die prima mensis augusti, indict(ione) und(ecima) / p(ost) c(onsulatum) pietatis eius anno quinto.

‘Voor de beste, genadigste en vroomste vorst, onze heer keizer Phocas, eeuwig door God gekroond, altijd verheven triomfator, heeft Smaragdus, gewezen hoofd van het keizerlijk paleis, patricius en exarch van Italië, aan zijn genade verknocht, voor de ontelbare weldaden van zijn vroomheid en voor het herstel van vrede in Italië en het bewaren van de vrijheid, dit standbeeld van zijn majesteit, blinkend door de schittering van het goud, op deze hoge zuil neergezet en hem toegewijd tot zijn eeuwige roem op 1 augustus in het 11de jaar van de indictie, in het 5de jaar na het consulaat van zijn vroomheid.’

In vergelijking met het opschrift voor Trajanus valt op dat de namen van de opdrachtgever en de opdrachtnemer omgewisseld zijn: we zitten duidelijk niet meer in tijden waarin het van belang is om enige correctheid of democratische neiging te ventileren.

De keizer is de baas en Smaragdus is zijn toegewijde dienaar. Bij de keizer zijn de traditionele magistraturen verdwenen. De illusie van de Republiek was na Diocletianus defintief voorbij en de keizers kwamen er ronduit voor uit wie er de baas was: zij.

Daarentegen staat er nu wel een toelichting bij Smaragdus die van het monument gebruik maakt om zich ook wat voor het voetlicht te plaatsen. Dat de zuil die hij heeft opgericht, de zuil van Phocas heet en niet de zuil van Smaragdus, is een gevolg van de ironie en ondankbaarheid van de geschiedenis.

Ook de feitelijke reden voor de oprichting wordt niet vermeld: het heet dat de man (ironisch of sarcastisch genoeg aangeduid als pietas eius ‘Zijne Vroomheid’!) talrijke weldaden bewezen heeft en de vrijheid bewaard.

Dat laatste is een vage herinnering aan het eerdere herstel van de Republiek door de keizers, maar nog wat wranger als men bedenkt dat de maatschappelijke ontwikkeling er eerder een van de vrijheid weg, dan naar de vrijheid toe was.

Ook anders is de exacte datering van het gebeuren, op 1 augustus 608. Geen datering met regerende consuls (als we dan toch moeten dateren), maar opnieuw volledig naar de keizer toegedraaid.

En dan staat daar zonneklaar dat Smaragdus niet een zuil heeft opgericht zoals in verreweg de meeste reisgidsen te lezen staat, maar er alleen een beeld op heeft gezet (zoals de co-auteur van Schrijver dezes terecht opmerkt). De zuil is enkele eeuwen ouder. Het staat gewoon in de tekst.

zuilen(2)

Er hoeft niet eens met spaden geslagen of met boeken geworpen te worden, het heeft geen zin dat archeologen, filologen, historici elkaar hierover het hoofd en de hersens inslaan: voor één keer staat het gewoon zonneklaar in de tekst.

En neemt u maar van Schrijver dezes aan dat áls Smaragdus zinnens was geweest om het oprichten van de zuil ook op zijn nederige naam te zetten, hij dat zeker niet gelaten zou hebben. Rome staat vol met gebouwen die van de grond toe opnieuw opgebouwd heten of in compleet verval zouden zijn, terwijl de restaurator er alleen een likje verf aan heeft laten geven. Men moet die dingen groot zien.

Wat natuurlijk wel waar is, is dat deze zuil bewijst dat in het begin van de 7de eeuw het Forum Romanum nog steeds het centrale plein van de stad was, anders had Smaragdus zich die moeite niet getroost. Als er alleen koeien naar konden kijken, of schapen, had het weinig zin: die lezen geen opschriften.

Smaragdus gaf daarmee uiting aan een gevoel dat in Rome nog steeds aanwezig is en dat ons allen steeds weer overvalt als we daar zijn: in Rome is men zich nooit bewust geweest van de zogenaamde val van het Romeinse rijk.

In feite weten wij daar helemaal niets van dat dat rijk ‘gevallen’ is. Romeinen hebben eeuwen lang vrolijk verder gedaan alsof het keizerrijk nog steeds bestond met alles wat dat impliceert.

Ze bouwden vrolijk vroegchristelijke kerken tot in de late middeleeuwen toen men elders overal romaanse en gotische kerken ging bouwen. De Romeinse stadskerk S. Maria in Aracoeli, de S. Clemente, de S. Maria in Trastevere. Want vroegchristelijke (= laatklassieke) basiliek = oudheid = Romeins. Zo eenvoudig is het.

Vandaar ook dat men eeuwen lang gewoon verder geleefd en gebouwd heeft in allerlei monumenten: als je een gebouw monumentaliseert, d.w.z. tot monument bestempelt, en er als het ware een stolp overheen plaatst, geef je te kennen dat het een monument ís, dat het niet meer echt leeft.

De moraal van dit verhaal? Drie wijze lessen zelfs. Ten eerste: leer Latijn en lees de teksten goed. Dat voorkomt onjuiste verhalen. Ten tweede: schrijf ook niets over van wat iedereen elkaar navertelt. Het is niet omdat iedereen iets zegt dat het waar is, maar het is waar omdat het waar is. Ten derde: zet geen beelden op zuilen, want die raken daar toch vanaf, terwijl de zuil blijft staan.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 23 maart 2021. Bekijk het origineel.