Zonder de middeleeuwse handschriften zouden we maar bitter weinig van de klassieke Romeinse schrijvers weten. In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) wordt een schat aan minder bekende handschriften bewaard. En ieder handschrift vertelt een eigen verhaal, een verhaal dat soms tot Rome of Italië reikt.
Vandaag aflevering 10: Qualis artifex!
Deze reeks, waarvan je nu en dan een aflevering te lezen krijgt, wordt verzorgd door dr. Michiel Verweij (afdeling Oude en kostbare drukken) van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de tiende bijdrage in de Manuscript Mysteries, waarin Rome nooit ver weg is. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.
* * * * *
‘Nee! Geen handschrift!’, riep de Grote Speurder enigszins verrassend uit, toen hij mij zag naderen. ‘Alles vandaag, maar geen handschrift!’
De grote Speurder zag er moe uit. Het was duidelijk dat hij dringend behoefte aan vakantie had. ‘Maar wat moet ik dan?’ vroeg ik vertwijfeld, want als de Grote Speurder zijn licht niet wil of kan laten schijnen over een en ander, ben ik gauw uitgepraat. Mijn eigen vermogens zijn veel te gering om er ook zelfs maar aan te durven denken een van deze complexe raadsels te willen ontwarren.
‘Dit!’, zei de Grote Speurder en – ik aarzel om dit neer te schrijven – hij nam een album van Suske en Wiske op, Het geheim der gladiatoren. ‘Dit! En niets anders! Ha, Rome!, Ha, de fantasie die welig tiert en uitdeint naar waar ze wil! Ha, Nero!’
Dat laatste sloeg niet op de hond van de buurvrouw die zo heette, maar inderdaad op de keizer die u kent. De moedermoordenaar, de broedermoordenaar, de circusartiest, de brandstichter, de christenvervolger, de megalomane bouwer, de zwarte keizer, wiens reputatie door respectabele lieden als Tacitus en Suetonius om ter hardst besmeurd is, maar die bij het gewone volk, het uulgare pecus, zoals men dat in de elite zo treffend noemde, eigenlijk heel geliefd was, juist omdat hij deed als een van hen. Kortom, de enigmatische oud-leerling van Seneca, de meest raadselachtige der keizers.
‘En de dichter!’, hield de Grote Speurder aan.
‘Ja,’ zei ik, ‘dat liedje in 64 zeker!’ Toen keek de Grote Speurder mij enigszins verwijtend aan. ‘Ten eerste,’ zei hij, ‘is er niets, maar dan ook absoluut niets tegen het jaartal 64. Integendeel, jaren met 64 zijn vaak gekenmerkt door grote gebeurtenissen. Michelangelo stierf in 1564, om maar iets te noemen! Nu jij!’ (U vermoedt nu wel waarom de Grote Speurder enigszins gepikeerd reageerde…)
‘Ten tweede, is dat verhaal van Nero die daar stond te zingen terwijl de vlammen raasden, kronkelden, sliertten, oprukten, kortom een hels inferno opleverden, een typisch gerucht dat de wereld in gebracht is door kwaadwillende sujetten, van die reactionaire lieden die hun tijd alleen maar konden vullen door eindeloos te roddelen.
Nee, geef mij dan maar een Frontinus: dat was tenminste iemand uit de hogere standen die wist wat hij moest doen en die het dan ook gewoon deed, het prototype van de bekwame ambtenaar en magistraat!’
De grote Speurder was zichtbaar vermoeid en niet alleen geërgerd, want Frontinus was actief tijdens de Flavii. Hij schreef een werk over militaire tactieken en één over de aquaducten (dat niet heel verrassend Over de aquaducten heet), toen hij zelf procurator aquarum was. Maar dat was allemaal ná Nero.
Natuurlijk had de Groter Speurder wel een beetje gelijk. De reputatie van Nero is inktzwart en dat is in ieder geval deels een gevolg van de manier waarop er enkele decennia na zijn dood over hem is geschreven door de historicus Tacitus en de biograaf Suetonius.
Geen van beiden had Nero’s regering bewust meegemaakt en de recente ervaringen onder Domitianus hadden met name Tacitus (toch al niet de vrolijkste Frans onder de politici en historici) nog meer verbitterd, zodat hij ongetwijfeld een deel van zijn ervaringen onder de één op de ander heeft overgebracht. Het verpletterende effect dat te veel lectuur van Tacitus op iemand kan hebben, ziet u in de portretten van Justus Lipsius die werkelijk het wereldleed op zijn schouders lijkt te torsen.
Het is alleen zo’n mooi beeld. Nero die eerst zelf de stad in brand steekt en er dan vervolgens bij gaat staan zingen. Over de ondergang van Troje…

In werkelijkheid was Nero niet eens in Rome toen de brand uitbrak, maar in Antium, zijn geboorteplaats. Op het bericht van de catastrofe haastte hij zich meteen terug naar Rome, waar hij vervolgens alles deed om de eerste nood te lenigen. Als hij zich niet zo had ingespannen, was de hele stad verhongerd.
Hij zorgde voor bevoorrading, het ruimen van puin, het optrekken van tijdelijk onderdak, een reeks nieuwe bouwvoorschriften die moesten verhinderen dat iets van deze orde nog ooit in de toekomst zou voorkomen. In feite gaat het om een van de eerste grote hulpacties bij rampen waarover we gedetailleerde gegevens hebben.
Tacitus geeft dat ook toe, maar voornamelijk om dan uit te weiden over de vervolging van de christenen die als zondebok werden aangewezen, toen er geruchten gingen circuleren over een betrokkenheid van de keizer bij het uitbreken van de brand. Met de ene hand geven om dan met de andere nog meer te kunnen pakken dus. Niet dat Tacitus zo in de christenen geïnteresseerd was (deze passage zou zonder de latere gang van de geschiedenis als een fait divers zijn afgedaan), maar het leverde pakkende scènes op.
Op dezelfde manier zitten we dus met dat bericht van Nero’s zang tijdens de brand. Hoe betrouwbaar is het? Geen mens die het weet. Maar het is wel een uiterst beklemmend én beklijvend beeld. En daar gaat het in de geschiedschrijving (en de media) toch vaak om…
Wat het verhaal ons leert is dat het idee dat Nero een dergelijke voorstelling had kúnnen geven, in ieder geval geen verwondering wekte. De bronnen vertellen ons over een heuse concertreis door Griekenland, waar de zingende keizer door de Hellenen bejubeld werd. In Rome zelf durfde Nero aanvankelijk niet op te treden. Iemand uit de elite deed zoiets niet. Punt. Intellectuelen kijken ook niet naar het Songfestival, nietwaar?
Dat Nero zóng, is ons dus voldoende betrouwbaar door de bronnen overgeleverd. Sluwe historici als Tacitus en Suetonius verzinnen zelden iets: ze suggereren, vermelden iets als een gerucht, en, floep, het kwaad is geschied en (in dit geval) Nero staat te dansen met de vlammen op de achtergrond.
Maar een andere vraag is natuurlijk of Nero het werk van een ander zong of dat van hemzelf. En dat is minder gemakkelijk uit te maken, ook omdat onze bronnen het niet nodig vonden dat met zoveel woorden te zeggen of te insinueren.

Met het nodige gewik en geweeg komen we in ieder geval tot twee titels van werken die Nero toch zelf zou hebben geschreven, de Halosis Ilii over de inname van Troje en de Troica die ook over Troje ging. Gaat het hierbij om één of om twee werken? Niemand die het weet en de Grote Speurder kijkt net het raam uit, zodat ik het niet durf te vragen.
Onze bronnen denken overigens heel anders over het talent van de keizer. Tacitus, malicieus als zo vaak, heeft er geen goed woord voor over en beticht de jeugdige vorst van plagiaat en maakt van hem een would-be-artiest die dan ook nog plagieert van ondeugdelijk materiaal (Annales, XIV, 16):
Carminum quoque studium adfectauit contractis quibus aliqua pangendi facultas necdum insignis erat. hi considere simul et adlatos uel ibidem repertos uersus conectere atque ipsius uerba quoquo modo prolata supplere, quod species ipsa carminum docet, non inpetu et instinctu nec ore uno fluens.
‘Hij hield zich ook onledig met de poëzie, waarbij hij een aantal personen die enig – zij het niet opmerkelijk – talent om te dichten hadden, samenbracht. Dezen zaten dan samen en regen meegebrachte of ter plekke bedachte verzen aaneen en vulden aan wat Nero zelf aan eigen woorden produceerde. Dit laat zien wat voor soort gedichten het waren. Ze kwamen niet voort uit enige aandrang of bezieling of zelfs maar uit één enkele mond.’
Suetonius is dan iets gematigder. De keizerbiograaf is ook onze enige bron dat er inderdaad schrijfsels van Nero bestonden, want hij heeft het zelf gezien. ‘Sterker nog’, komt de Grote Speurder er ineens tussen: ‘Het is zowat het oudste codicologische verslag dat we hebben.
De eerste die meteen al doorhad dat een handschrift eerst en vooral een uniek en concreet materieel historisch object is en dat men dat ook als zodanig dient te interpreteren. Zoals ik zo vaak zeg!’ (voegde hij er fijntjes aan toe.) ‘Wij classici zijn veel te veel gefocust op die tekst, maar dat is maar de helft.
In feite,’ de Grote Speurder raakte op dreef, ‘in feite, horen de tekst en de decoratie tot de mínst interessante delen van een handschrift. Haal al die flauwekul weg en wat je overhoudt is de pure materie van het object, het perkament of papier met zijn watermerk, het aantal regels en kolommen, het formaat, de marginalia, kortom al die dingen die het leven van een bibliothecaris fleur geven, van zin voorzien, rijkdom en innige voldoening schenken, als hij of zij kan zeggen: dat komt daarvandaan!, of: dat is de oplossing!, enkel door naar dit soort dingen te kijken.’ En hij keek triomfantelijk. Zijn blauwe ogen straalden met een vuur dat mij toch wat verdacht voorkwam: de Grote Speurder was zeker aan vakantie toe.
Wat zegt Suetonius nu (Nero, 52):
Itaque ad poeticam pronus carmina libenter ac sine labore composuit nec, ut quidam putant, aliena pro suis edidit. Venere in manus meas pugillares libellique cum quibusdam notissimis uersibus ipsius chirographo scriptis, ut facile apparent non tralatos aut dictante aliquo exceptos, sed plane quasi a cogitante atque generante exaratos; ita multa et deleta et inducta et superscripta inerant.
‘Zo schreef hij met zijn neiging tot de poëzie graag en zonder inspanning gedichten en, in tegenstelling tot wat sommigen denken, gaf hij niet andermans werk onder zijn naam uit. Ik heb verschillende schrijftafeltjes en aantekenboekjes in mijn handen gehad met een paar van zijn bekendste verzen in zijn eigen handschrift genoteerd.
Hier blijkt gemakkelijk uit dat ze niet zijn overgenomen of genoteerd naar het dictaat van iemand, maar duidelijk geschreven als door iemand die nog nadenkt en iets doet ontstaan: zo is er veel doorgehaald, tussengevoegd, erboven geschreven.’
De Grote Speurder had dus toch wel gelijk. (Verdorie.) Suetonius heeft de stukken in handen gehad en daaruit zijn conclusies getrokken. Hij heeft niet alleen vastgesteld dat deze pugillares libellique ‘schrijftafeltjes en zakboekjes’ inderdaad teksten van Nero bevatten en dat ze in des keizers handschrift waren gesteld, maar hij heeft bewust aandacht besteed aan wat wij marginalia plegen te noemen, correcties en aantekeningen, aan de manier ook waarop deze correcties nu precies genoteerd zijn, en hij heeft hier conclusies uit getrokken. Volgens hem gaven ze duidelijk blijk van een actief schrijfproces, zoals dat tegenwoordig academisch heet.
Nee, helaas, de Koninklijke Bibliotheek bezit niet een van deze pugillares libellique. Die zijn onherroepelijk verloren. Met moeite hebben we in Brussel één handschrift van Suetonius, uit ca. 1470, en in Leuven gekopieerd door ene Golinus van t’Sestich. Of zo wil het toch de familielegende die Golinus’ achterkleinzoon Johannes, president van het Sint-Donaascollege in Leuven (op de plaats waar nu het stadspark ligt dat trouwens naar dat verdwenen college genoemd is), vermeldt op een aparte aantekening.
Ms. 4372 is dus in Leuven gekopieerd en daarmee een van de eerste getuigenissen van een eerder humanistisch georiënteerde belangstelling in de stad. De abdij van Park was voorop gegaan, maar de universiteit hinkte nog wat achterop: hier zou de humanistische belangstelling voor klassieke teksten pas vanaf ca. 1490 doorbreken.
Maar toen was het hek ook echt van de dam en werd Leuven een van de voornaamste centra van de humanistische beweging met een Erasmus die daar van 1502 -1504 en 1517-1521 verbleef, met de eerste druk van de Utopia van Thomas More (bij Dirk Martens, 1516; nog ca. 35 exemplaren wereldwijd, waarvan 2 in de Koninklijke Bibliotheek) en met de stichting van het Collegium Trilingue in 1517.
Niet voor niets zou Leuven meer dan vier eeuwen later een van de voornaamste centra worden van de studie van het Humanisme met Henry de Vocht en vooral met Jozef IJsewijn die een traditie inzette die nog steeds beklijft.

Handschrift dat door Golinus van t’Sestich gekopieerd
zou zijn: de epigrammendichter Martialis
Vandaar dat het Brusselse Suetoniushandschrift eigenlijk cultuurhistorisch heel merkwaardig is, ook al heeft het weinig belang voor de teksteditie van de keizerbiograaf. Daar komt weer hetzelfde om de hoek kijken: classici (en de Grote Speurder is er zelf een, dus hij mag kritiek uiten, en ik zit in hetzelfde schuitje) kijken te veel naar de tekst en de tekst alleen.
Maar alle handschriften zijn gelijk voor de wet en alle handschriften zijn steeds weer de uiting van de wens om die tekst te lezen, te hebben, te kunnen consulteren, te koesteren: achter elk handschrift zit zo een verhaal, zelfs als dat ons meestal ontsnapt. Elk handschrift speelt een rol in de cultuurgeschiedenis.
Het wonder van Golinus wordt nog groter als u bedenkt dat de Suetoniuscodex niet alleen staat: nee, de Grote Speurder heeft tijdens zijn zwerftochten door de krochten van de bibliotheek, waar zich de magazijnen met al hun schatten bevinden, nog twee handschriften uit het bezit van Golinus van t’Sestich gevonden, ms. 1543-44 met Martialis en ms. 1723 met de Thebais van Statius.
Statius las men in de middeleeuwen wel vaker, maar de keuze voor Suetonius en Martialis is uniek. Bovendien is er nog een mysterie: vaak verraden vroeg-humanistische handschriften uit onze gewesten iets van een band met Italië, maar dat is hier niet het geval: alle drie de Golinuscodices zijn gewoon verschrikkelijk noordwest-Europees en hebben absoluut niets gemeen met de Italiaanse handschriften van die periode.
Maar dan ook niets. Lettertype, de beperkte decoratie van de sobere rode lombarden of initialen: het is alles zo verschrikkelijk ‘van hier’ dat men zich de vraag stelt hoe Golinus (van wie een eventueel Italiaans verblijf of contact onbekend is) erop kwam om deze teksten te kopiëren (of te laten kopiëren). En hoe hij aan zijn tekst kwam, want om te kopiëren moet je een model of origineel hebben.
Maar ik zie dat de Grote Speurder wat onrustig heen en weer schuift. ‘Alsjeblieft vandaag geen handschriften!’, zei hij, ‘Ik zie die al de hele tijd en ik ben gewoon moe.’ Hij zuchtte eens diep.
Toen keek hij weer op en zei: ‘Goed, we weten dus dat Nero gedichten schreef, maar wat rest er nu nog van? Niet heel veel. Acht verzen en de helft daarvan is verdacht.’
Nero’s gedichten gingen inderdaad verloren. Er zijn nog vier fragmenten die bij andere auteurs te vinden zijn. De voornaamste leverancier is de satirendichter Persius die in zijn 1ste satire eerst een verseinde aanhaalt, met een duidelijke steek onder water dat het nergens op lijkt, en dan enkele regels verderop een viertal verzen citeert. En dat is dus een probleem.
Eerst maar dat verseinde. Persius zegt zo tussen neus en lippen: cludere sic uersum didicit ‘hij heeft geleerd zijn vers af te sluiten met’ om dan het eigenlijke citaat te geven:
Berecynthius Attis
‘de Berecynthische Attis’.
Attis was een herder uit Klein-Azië die zich uit eerbied en liefde voor de Magna Mater, de godin Cybele, ontmande. We zitten dus wel in ongeveer dezelfde hoek van de wereld als Troje, maar wat dit vers zou komen zoeken in een Halosis Ilii of Troica blijft eerder vaag.
Omdat er expliciet naar een verseinde verwezen wordt , omdat het citaat maar heel kort is én omdat de grap (voor zover het er een is) volledig verzinkt als het niet authentiek zou zijn, denk ik dat dit stukje vers een goede kans maakt authentiek van Nero’s hand te zijn .
De Grote Speurder knikt bedaard. Oef, hij ligt eens niet dwars!
‘Maar wat maak je van de andere verzen?’vraagt hij met een grijns die nauwelijks voor die van Tacitus moet onderdoen. Die andere verzen?
Iets verderop, I, 99-102, staat een fragment van vier aaneengesloten verzen:
Torua Mimalloneis inplerunt cornua bombis
Et raptum uitulo caput ablatura superbo
Bassaris et lyncem Maenas flexura corymbis
Euhion ingeminat; reparabilis adsonat echo.
‘Ze vulden de grimmige hoorns met Mimalloneïsch brommen,
Eén klaar om de van het trotse kalf afgerukte kop weg te dragen,
Bassaris, en Maenas die de lynx met klimop zal vermurwen,
Verdubbelt het ‘Bacchus’-geroep; en weerklinkt de herhalende echo.’
(Mimalloneïsch = van de Bacchanten)

‘Kijk, dat is andere koek!’ zei de Grote Speurder. ‘Wat dat bij Troje te zoeken heeft, is mij een raadsel.’ Het gaat om een scène uit het ritueel van de Bacchanten, om een van de hoogtepunten, waarbij een bende in hevige vervoering geraakte adepten van de god Bacchus/Dionysus (meestal vrouwen, menaden genoemd) een levend dier verscheuren en rauw verslinden.
Lees er uw exemplaar van de Bacchanten van Euripides maar op na! De cultus van Bacchus is eerder in Thracië gesitueerd, aan de andere kant van de Hellespont gezien van Troje uit. Dus inderdaad: komt dit uit een van de werken waarvan we de titel kennen of uit iets anders?
En, misschien nog belangrijker: hoe sterk kunnen we ervan op aan dat deze verzen inderdaad van Nero stammen? Ze zijn nogal bombastisch, vol exotische woorden en combinaties. Zou Persius niet bewust zijn voorbeeld wat hebben aangedikt?

Handschrift dat door Golinus van t’Sestich gekopieerd
zou zijn: de biografieën van de keizers door Suetonius.
Helaas hebben we weinig vergelijkingsmateriaal. Er is een fragment van drie verzen over het ondergrondse traject van de Tigris:
Quique pererratam subductus Persida Tigris
Deserit et longo terrarum tractus hiatu
Reddit quaesitas iam non quaerentibus undas.
‘De Tigris die onderaards gevoerd het doorzworven Perzië
Verlaat en door een grote kloof van de aarde getrokken
Het gezochte water weer geeft aan wie er niet meer naar zoeken.’
Hier duidelijk minder gezochte of zeldzame (en dus geleerde woorden), maar wel een strikt genomen overbodig pererratam ‘doorzworven’: dat had eventueel weggelaten kunnen worden of door iets anders vervangen. Het woordspel in het laatste vers met de twee tijden van quaerere ‘zoeken’ zou ook bij een Ovidius hebben kunnen staan.
Het is een van die voorbeelden van de kwaliteit van het Latijn om iets heel pregnant uit te kunnen drukken, juist door het spel met naamvallen, werkwoordstijden en al dat soort dingen.
‘Bovendien staat quaesitas ook nog mooi net vóór de cesuur’, riep de Grote Speurder uit: hij genoot ook een bescheiden reputatie als Latijns dichter en kon deze gelegenheid om zijn begrip voor het werk van een vakbroeder te tonen niet ongebruikt voorbij laten gaan.
De cesuur is de obligate pauze in het midden van het vers, een rustpunt waar dichters graag mee spelen door daar net vóór of na een woord te plaatsen dat reliëf krijgt, zoals in de pentameter:
Lentas dum flauens Dummela mittit aquas
‘Terwijl de gele Dommel haar trage wateren stuwt’.
Nee, dat is niet van Nero, maar van die ander dus.
Er is nóg één halfvers van Nero bewaard, maar onder scabreuze omstandigheden. U weet allen wat een latrine is en u kent allen de openbare latrines uit de Romeinse steden. Soms dienen die op dit moment nog voor originele klassenfoto’s op de Romereis (alleen jammer dat al die andere klassen op hetzelfde idee komen).
Op een bepaald moment, zo vertelt een oude biografie van de dichter Lucanus, zat de laatste rustig op het toilet. Hij deed zijn gevoeg, waarbij plots een luid geluid aller aandacht trok. Lucanus merkte toen op:
Sub terris tonuisse putas
‘Je zou denken dat het onder de aarde donderde.’
Op stel en sprong liep de latrine leeg. Alle aanwezigen hadden het citaat herkend en waren bevreesd voor de strafrechtelijke consequenties als een van de delatores dit de bevoegde autoriteiten zou melden. Het citeren van een vers des keizers op die plaats onder die omstandigheden was niet meer of minder dan majesteitsschennis.

Handschrift dat door Golinus van t’Sestich
gekopieerd zou zijn: de dichter Statius
Lucanus was een veelbelovend talent in zijn jonge dagen. Oude dagen heeft hij niet gekend, want nadat hij aanvankelijk tot Nero’s bent had gehoord, legde de keizer hem een schrijfverbod op. Niet omdat Lucanus zo tegendraads was, maar omdat Nero vreesde dat hij beter dichter zou zijn dan hijzelf.
Lucanus, die niet wist waar hij met zijn ziel moest blijven, mengde zich in de samenzwering van Piso met de bekende gevolgen en pleegde zelfmoord, 25 jaar oud. Van hem rest een onvoltooid epos over de burgeroorlog tussen Caesar en Pompeius, waarbij de laatste de held is, niet de eerste.
Het Bellum ciuile of Pharsalia werd een klassieker in de middeleeuwen en was te vinden in tal van bibliotheken. De Koninklijke Bibliotheek bezit er vier, waarvan het belangrijkste uit de 11de eeuw stamt en uit de abdij van Gembloux afkomstig is (ms. 5330-32).
Andere zijn ms. 5333-35 (tweede helft 11de eeuw), eveneens uit Gembloux, ms. 9977 (tweede helft 12de eeuw) van onbekende middeleeuwse herkomst, waarschijnlijk eerder uit de Noordelijke Nederlanden (en dan via de Amsterdammer Cornelis Duijn bij de Bollandisten in Antwerpen beland en uiteindelijk in Brussel), en ms. 10145 (eveneens tweede helft 12de eeuw) dat bij de jezuïeten in Leuven zat vooraleer het in 1778 in Brussel belandde.
Ook in de in 1914 verbrande universiteitsbibliotheek van Leuven zat een Lucanushandschrift (ms. 33, 12de eeuw, aangevuld in de 15de), terwijl nu een in Leuven gekopieerd volume met Lucanus in de Bodleian in Oxford zit (ms. Auct. F. 2. 11, 15de eeuw).
‘Het is tijd om er een eind aan te maken’, zei de Grote Speurder. Misschien haalde hij onbewust de laatste woorden aan van een van de Latijnse auteurs ten tijde van Nero, want niet alleen Lucanus liet het leven, ook Seneca de filosoof en leermeester van Nero en de romanschrijver Petronius pleegden zelfmoord op een wenk des keizers.
En uiteindelijk Nero zelf ook. In een verbijsterende scène die Suetonius verhaalt, slaat Nero op de vlucht als hij verneemt dat de senaat hem tot hostis ‘staatsvijand’ heeft uitgeroepen.
Hij dwaalt nog even in de buurt van de stad rond tot hij bij de nadering van de soldaten uit de stad die zijn hoofd willen, de dolk door zijn lichaam weet te duwen.
Qualis artifex pereo! ‘Welk een kunstenaar gaat er toch met mij verloren!’, zouden de historische laatste woorden van Nero zijn geweest. De waarheid gebiedt ons te erkennen dat we er niet echt over kunnen oordelen in hoeverre Nero’s aanspraak gerechtvaardigd was.
‘Qualis artifex’, zuchtte de Grote Speurder, maar niemand weet tot op de dag van vandaag of hij op dat moment aan Nero dacht of aan iemand anders.
Oorspronkelijk gepubliceerd op romenieuws.wordpress.com, op 23 februari 2022. Bekijk het origineel.

