Eén van de grootste kunstschatten van Rome zit verborgen achter de gevel van het imposante Palazzo Farnese, het renaissancepaleis waarmee je de voorbije twee dagen kon kennismaken. Niet verborgen in de zin van verstopt, maar wel behoorlijk afgeschermd van de buitenwereld.
De meeste toeristen hebben dit kunstwerk immers nooit gezien. Alleen kunstliefhebbers die de jongste jaren al eens een rondleiding hebben geboekt in het palazzo dat vandaag onderdak biedt aan de ambassade van Frankrijk, hebben het al kunnen bewonderen.
We hebben het over de uitzonderlijke fresco’s in de Galleria Farnese, de beroemde galerij waar Annibale Carracci (1560-1609) tussen 1597 en 1604 een absoluut meesterwerk creëerde.

De schilderingen werden uitgevoerd met de hulp van zijn broer Agostino en van zijn leerlingen en latere meesters Domenichino en Giovanni Lanfranco.
De aangrenzende Sala dei Fasti Farnesiani werd versierd met fresco’s van Francesco de’ Rossi (1510-1563), ook bekend als Francesco Salviati, Francesco Rossi en Cecchino del Salviati. Ze werden voltooid door Taddeo Zuccari.
Kardinaal Alessandro Farnese, die in 1549 als paus Paulus III zou sterven, had driekwart eeuw eerder geopperd dat de schilderingen op het twintig meter lange tongewelf de triomf van de liefde moesten uitbeelden, niet zozeer de goddelijke dan wel de aardse liefde.
Het was de neef van Paulus III die de uiteindelijke opdracht gaf, ter gelegenheid van het huwelijk van zijn broer Ranuccio met Marguerita Aldobrandini, zelf de nicht van paus Clemens VII. De voorbereidende werken begonnen in 1595 en werden pas in 1605 volledig afgerond.
De afmetingen van de zaal stelde Carracci voor grote uitdagingen. Hij maakte gebruik van beeldhouwwerken, kroonlijsten, valse bronzen medaillons en valse taferelen in nepkaders die schijnbaar aan het gewelf hangen. De verwijzingen naar Rafaël en Michelangelo zijn duidelijk.
Carracci verzinnebeeldde de opdracht in het gerollebol van Bacchus en Ariadne. Het werd een deinende, buitelende fata morgana van taferelen uit de Metamorfosen van Ovidius, een compleet firmament van klassiek weergegeven vlees, verankerd in verwijzingen naar de loggia van Rafaël in de Villa Farnesina en de ignudi of mannelijke naakten van Michelangelo in de Sixtijnse kapel.

Dat alles is overigens zo heidens als schilderkunst maar kan zijn. Het blijft bizar dit aan te treffen in het stulpje van een familie die zo dicht bij het pauselijke hof stond of er zelf deel van uitmaakte.
Het zijn deze fresco’s die de Franse barokschilder Charles Le Brun (1619-1690) tijdens zijn verblijf in Rome inspireerden voor de plafondschilderingen van de Galerie des Glaces in het kasteel van Versailles.
De familie Farnese betaalde Carracci, die vele jaren aan zijn meesterwerk bezig was geweest, uiteindelijk als een doodgewone decor- of huisschilder.
De zwaar ontgoochelde kunstenaar vond het onvoorstelbaar dat zijn werk niet naar waarde werd geschat en was daardoor erg verbitterd.
Hij raakte wat later aan de drank en verzonk in een diepe depressie. Hij stierf niet zo lang daarna, volledig in de war en wellicht geestesziek, op 15 juli 1609. Hij was pas 49.
Zes jaar geleden, in september 2015, eindigde de restauratie van de fraaie Galleria van Carracci. Er was anderhalf jaar aan gewerkt en de opknapbeurt kostte 1 miljoen euro.
Het geld kwam voor 80 procent van het Amerikaanse World Monuments Fund en de rest werd betaald door de Italiaanse staat. Frankrijk droeg niets bij aan deze restauratie.
De operatie werd geleid door Paolo Pastorello die ook verantwoordelijk was voor de restauratie van de fresco’s van Giotto in Assisi.
Eén van de grote problemen was de instabiliteit van Palazzo Farnese en dus van de Galleria. Dat komt door de nabijheid van de Tiber en vormt al eeuwenlang een probleem.
Tijdens de restauratie werd vooral gekozen voor ‘behoud’ en niet voor ‘herstelling’. De bestaande barsten en craquelures werden enkel geconsolideerd.
Bij de restauratie werden ook een aantal verborgen tekeningen, graffiti, datums en handtekeningen blootgelegd die destijds stiekem werden aangebracht door de kunstenaars of hun medewerkers. Ook die bleven behouden.

Hoe dan ook zijn de fresco’s vandaag adembenemend levendig. Samen met het goud, ivoor en het stucwerk in de Galleria dat eveneens grondig werd opgefrist, kregen ze zes jaar geleden de frisheid en kleuren terug die ze al eeuwen hadden verloren.
Het ging toen om de eerste volledige restauratie van het meesterwerk van Annibale Carracci. De Galleria was toen al meer dan drie eeuwen niet meer toegankelijk geweest voor het publiek.
Kunsthistorisch zijn de fresco’s uiterst belangrijk. Johann Wolfgang von Goethe, die het palazzo bezocht tijdens zijn verblijf in Rome, was zo onder de indruk dat hij door zijn vriend, de Duitse kunstenaar Friedrich (Fritz) Bury, een kopie liet maken van de fresco’s.
De Franse romantische schrijver Stendhal, pseudoniem van Marie-Henri Beyle (1783-1842) beschrijft zijn bezoek aan het Palazzo Farnese en zijn confrontatie met het werk van Carracci als volgt.
‘De toegang tot dit majestueuze gebouw is verfraaid met twaalf Dorische zuilen uit Egyptisch graniet. Drie zuilenordes, de ene boven de andere, sieren de vier façades van de vierkante en donkere binnenhof, dat iets van het Colosseum heeft. De onderste rij vormt een porticus van een wilde, waarlijk Romeinse majesteit.
In deze porticus heeft men de reeds vermelde grote grafurn uit Parisch marmer opgesteld die uit het graf van Cecilia Metella afkomstig is. Half verborgen in een hoek van de binnenplaats krijgt deze urn de uitwerking die hij verdient. Het getuigt van wansmaak in de tijd van Paulus III om de urn te verwijderen uit het graf, waarvan hij het essentiële deel vormde.
Twee uur lang hielden wij ons op in de galerij die is verfraaid met mythologische taferelen uit Ovidius en Vergilius als fresco’s door Annibale Carracci en zijn leerlingen. Het middenstuk van het gewelf wordt ingenomen door de triomf van Bacchus en Ariadne.
Hun gezichten zijn groots en virtuoos geschilderd, maar lijden aan hetzelfde gebrek als bij Titiaan: men mist de hemelse ziel en de geest die Rafaël altijd aan zijn gezichten geeft’.
Zo, nu hoort u het ook eens van iemand anders. Al was Stendhal duidelijk een grotere fan van Rafaël dan van Carracci.

ACHTERGROND – ANNIBALE CARRACCI
Annibale Carracci werd geboren op 3 november 1560 in Bologna. Hij werd beïnvloed door Correggio en Rafaël. Aan deze laatste dankt hij zijn ietwat harmonische vormgeving. Zijn werk is vitaler en grootser van verbeelding dan dat van zijn broer Agostino.
Hij slaagde erin mythologie en natuur (zijn landschap is verwant aan dat van de Nederlander Paul Bril – 1554-1626) tot een nieuw poëtisch geheel te versmelten. Zijn levendig coloriet is soms op het agressieve af, zoals in de Slagerswinkel, een vroeg werk (Christ Church Picture Gallery, Oxford).
De roem van Annibale, zijn broer Agostino en zijn neef Ludovico werd definitief gevestigd na de voltooiing van de fresco’s in het Palazzo Magnani in Bologna, maar Annibale zou zich volledig ontplooien met zijn schilderingen in Palazzo Farnese in Rome. De luchtige composities zijn vast gesloten, de heroïek geladen zonder overladenheid en van een ‘klassieke natuurlijkheid’.
Annibale Carracci maakte ook vele tekeningen. Zijn kunst wijst al naar de barok van een Bernini en een Rubens. Zijn grafiek staat, evenals die van Agostino, onder invloed van de toen in Rome vertoevende Cornelis Cort (1533-1578) of Cornelius Fiammingo uit Noord-Holland.
Annibale, Agostino en Ludovico behoorden tot de grondleggers van de kunststroming die bekend is geworden als de Bolognese School. Het was vooral Annibale die de ‘Accademia’ tot een algemene vormingsschool maakte, waartoe ook onderwijs in muziek, literatuur en de toenmalige wetenschap bijdroegen. Daar kregen onder andere Guido Reni, Francesco Albani en Domenichino hun opleiding.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 12 maart 2021. Bekijk het origineel.

