Tot drie eeuwen geleden had Rome twee joodse getto’s. Vlakbij het huidige en alom bekende voormalige getto, waar je ook vandaag nog een aanzienlijke joodse gemeenschap aantreft, bevond zich destijds nog een tweede. Dat is nu, vrij recent, na 270 jaar herontdekt. Tijdens opgravingen in de omgeving van Monte Savello, ondermeer voor de aanleg van een nieuwe bushalte, toonden diverse vondsten aan dat hier eveneens een afgezonderde joodse gemeenschap heeft verbleven. Tot nog toe waren daar alleen maar vage verwijzingen op papier van bekend. Het getto van Monte Savello werd door het Vaticaan gesloten in 1735. De poorten van het andere en grotere getto werden afgebroken in 1798. Volgens de gegevens van de volkstelling van 1733 verbleven er op dat moment 4.060 joden in Rome. In Ghettarello leefden echter ook katholieken die wel vrij binnen en buiten mochten wandelen.
Het getto van Rome werd op 26 juli 1555 door Paulus IV ingericht als afgezonderde wijk waar joden omwille van religieuze redenen werden geïsoleerd en ‘s avonds ook letterlijk opgesloten. Een jood die na het sluitingsuur betrapt werd buiten het getto werd gedood. Doorgaans liet de paus wel toe dat de doodstraf kon worden afgekocht mits het betalen van een stevig bedrag en nadat de jood in kwestie zich bekeerde tot het katholieke geloof. Deze Romeinse wijk heette toen Ghettarello, de andere werd Macelletto geheten. Zowat veertig jaar eerder was er in Venetië ook al een getto in het leven geroepen.
De hele geschiedenis rond het getto werd door het Vaticaan geklasseerd en na het verdrag van Lateranen in 1929 volledig en allicht bewust vergeten. Recent stootten onderzoekers op een aantal dozen met documenten die geklasseerd waren onder ‘Diversen’. Daarin bevond zich de geschiedenis van het ondertussen volledig vergeten getto van Monte Savello, vlak naast de kerk San Gregorio alla Pietà. Dit getto vormde letterlijk een stadje in de stad en was omringd door een muur slechts toegankelijk via twee poorten. Overigens moesten de joden het onderhoud van de muren en de bewaking van de poorten zelf bekostigen.
Paus Julius III liet in 1553 alle gevonden exemplaren van de talmoed verbranden, iets wat ook de voormelde Paulus IV vijf jaar later nog eens liet doen. De paus bepaalde ook dat alle joodse mannen in Rome een gele punthoed moesten dragen en alle joodse vrouwen een gele sjaal moesten omhebben. Zijn voorganger dwong de joden zelfs helemaal in het geel rond te lopen. Joden werden ook verplicht deel te nemen aan stratenlopen (op ondermeer de Via del Corso), al dan niet gezeten op ezels of zelf lopend maar dan naakt. Ze mochten onderweg uitgescholden en bespuwd worden of bekogeld met rot fruit. Soms moesten joden ook verplicht deelnemen met een volle maag en werden ze opgejaagd door ruiters te paard. Vanaf 1667 konden ze hun verplichte deelname eventueel afkopen door per persoon een forse som geld aan de paus te betalen.
Joden kwamen reeds in de oudheid terecht in Rome, waar ze arriveerden als slaven. In de periode dat de getto’s ontstonden mochten joden alleen handel drijven in afgedankte en tweedehandse materialen. Daarom waren de opkopers van oud ijzer en de voddenrapers allemaal joden. In de 19de eeuw woonden er nog steeds zowat 7.000 joden in Rome. Vandaag is hun aantal sterk gedaald. In de joodse wijk laten vooral de winkeltjes, restaurants en natuurlijk de grote synagoge die gebouwd werd in 1904 zien dat je hier door een joodse buurt wandelt.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 16 juni 2013. Bekijk het origineel.

