Het fraaie Parco Nazionale della Majella in de Abruzzen wordt ook wel eens het Tibet van Italië genoemd. Een beetje overdreven natuurlijk, want de hoogste bergtop meet slechts 2.793 meter, wat toch nog altijd behoorlijk is. Het is er vooral erg mooi. De Majella is het bij vele Romereizigers nauwelijks bekende wilde achterland van Rome, bestaande uit indrukwekkende kalkmassieven, heldere riviertjes, schaapherders die ronddwalen met hun kudde, eindeloze beukenbossen, eeuwenoude kloosters en sfeervolle stadjes bepalen hier het beeld. In het nationale park Majella leven nog dieren die elders in Europa nog amper te vinden zijn. Otters spelen in het heldere water en de Abruzzengems graast op de berghellingen. Ook de bruine beer, de wolf en de lynx vinden hier nog een habitat. In de Majella vind je 22 procent van alle Europese plantensoorten terug, een ongelooflijke hoeveelheid. Het park ligt namelijk op een kruispunt van klimaten en is het meest zuidelijke verspreidingsgebied voor Alpiene soorten. Er zijn hier ruim 2.000 verschillende planten te vinden. De ondergrond van het Nationale Park Majella bestaat vooral uit kalksteen. In de massieven zijn vele grotten, riviertjes en kloven te vinden. De Majella telt maar liefst 30 pieken boven de 2.000 meter.
Vanuit Rome is het met een beetje geluk slechts twee uur rijden naar het Nationaal Park Majella. De Majella is het op een na hoogste bergmassief van de Apennijnen. Het massief ligt in de regio Abruzzo, op het punt waar de provincies Pescara, Chieti en L’Aquila samenkomen. Het hoogste punt wordt gevormd door de 2.793 meter hoge Monte Amaro. Andere hoge toppen zijn de Monte Acquaviva, 2.737 meter, de Monte Focalone, 2.676 meter; de Monte Rotondo, 2.656 meter en de Monte Macellaro met 2.646 meter. De naam Abruzzen (in het Italiaans Abruzzi of, correcter, in het enkelvoud Abruzzo) is afgeleid van het Latijnse Aprutium, wat zoveel wilde zeggen als ‘Land van de zwijnen’. Voorheen maakte de regio samen met Molise deel uit van de regio Abruzzen en Molise (tot 1963). In het noordwesten grenst de regio aan Marche, in het westen aan Umbrië, in het zuiden aan Latium, in het zuidoosten aan Molise en in het oosten aan de Adriatische Zee.
De regio is zeer rijk aan natuurschoon en telt enkele grote nationale parken: Gran Sasso-Laga, Majella en Abruzzo. In het laatste park leven nog een paar bruine beren. De twee hoogste toppen van de Apennijnen liggen eveneens in Abruzzo, het zijn de Gran Sasso (2.912 meter) en de Majella (2.795 meter). Andere natuurlijke bezienswaardigheden zijn de Calanchi van Atri en het uiterste zuiden van de Abruzzese kust: de Punta Penna en Costa dei trabocchi. De kust is vernoemd naar de vele trabocchi die hier te vinden zijn. Dit zijn visinstallaties die vrijwel geheel uit hout vervaardigd zijn en al eeuwenlang worden gebruikt. De regio is ook rijk aan meren, al dan niet gestuwd, zoals het Meer van Barrea, het Meer van Campotosto en het Meer van Bomba.
De meest bezienswaardige steden van de regio zijn L’Aquila, Teramo, Sulmona, Lanciano, Chieti, Vasto en Atri. De grootste stad van de regio, Pescara is het economische hart van de regio, maar heeft de toerist maar weinig meer te beiden dan een mooie strandboulevard. De bergdorpen van Abruzzo zijn echter wel vaak betoverend mooi en, zo lijkt het, onaangetast door de tijd, vooral in de provincie L’Aquila. Een goed voorbeeld hiervan is Pacentro. Het toerisme aan de kust is redelijk ontwikkeld. De belangrijkste plaatsen zijn hier Roseto degli Abruzzi, Pineto, Giulianova en Montesilvano.
In het gebergte van Parco Nazionale della Majella is een groot aantal gemarkeerde wandelingen uitgezet. Ook voor wandelaars is de top zonder al te grote problemen te bereiken. De moeilijkheid zit vooral in de lange duur van de tocht (zo’n 10 uur). Bij helder weer zijn vanaf de Monte Amaro de Tremitische eilanden goed te zien. Het massief wordt doorsneden door diepe kloven zoals het Valle Serviera. Op de hellingen liggen dichte bossen waarin een grote aantal diersoorten leven, waaronder de wolf. Majella is met z’n beboste valleien en kale bergtoppen in 1995 uitgeroepen tot nationaal park. Het heeft een omvang van 290 vierkante kilometer en dankt zijn naam aan het kalkmassief dat bijna als een Tafelberg uit het landschap oprijst. Sommigen noemen het Majella-park het Tibet van Italië. Dat is wat overdreven, maar vooral de heftige steenklomp aan de oostkant boezemt ontzag in. Het gebied is bezaaid met kloosters, kapelletjes en kluizenaarshutten (die van San Bartolomeo, beneden in de kloof van San Spirito, is alleen al vanwege de spectaculaire afdaling een juweeltje). En de cappuccino- en espresso-terrasjes in verstrooide dorpjes zijn uiteraard niet te tellen.
De Majella is de laatste uitstulping van de Apennijnen, voordat deze bergketen verdwaald raakt in de Adriatische Zee. Het uitzicht op de toppen en flanken van de Majella is majestueus. Zelfs al is het niet helemaal helder, toch is de zee in de verte te zien, evenals Pescara, de provinciehoofdstad en badplaats. De Canis lupus italicus – ruim dertig jaar geleden bijna verdwenen uit de Apennijnen – is nog altijd aanwezig in het park, net als de beer, de ree en de gems. In 1990 is dankzij het Italiaanse Wereldnatuurfonds een terrein (Area Faunistica) bij Lama dei Peligni afgebakend om de Abruzzengemzen weer in de Majella te introduceren. Door de intensieve jacht en de schapenteelt waren ze gedecimeerd en teruggedrongen in een klein gebiedje. Het project heeft succes. Er springen nu minstens 150 wilde gemzen rond in de Majella. Je moet er de tijd voor nemen (en de stilte), maar dan kun je ze met een verrekijker zien klauteren op de rotsen.
Met de beren ligt dat wat moeilijker. De Abruzzenbeer of Ursus arctos, een ondersoort van de bruine beer, kwam vroeger in heel Italië voor. Honderd jaar geleden leefden enkel in de Abruzzen nog slechts enkele exemplaren. Het tij is gekeerd, de jacht verboden en het dier beschermd. Optimistische schattingen spreken nu van 150 beren, maar veel experts gaan uit van lagere getallen. Een zeldzame keer wordt nog een beer met kleintjes gespot. Ze verraden zich door krabsporen op bomen, omgekeerde stenen (ze zoeken insecten) en door hun uitwerpselen en voetsporen. De dieren verstoppen zich overdag in de bossen en komen pas in het donker in actie. Ze vormen geen bedreiging voor de mens. De enige gevaarlijke beer is te zien in het Berenmuseum in Palena, dat deel uitmaakt van een oud klooster. Het is wel een opgezette beer. En het vroegere stulpje van de monniken is nu een fraai hotel, het Casa dell’ Orso of Huis van de Beer.
En dan is er de wolf. Ook die heeft in de Majella een Area Faunistica gekregen (bij Pretoro), waar hij geen schapen meer kan aanvallen, afval kan plunderen of zich kan kruisen met verwilderde honden. Volgens de informatie groeit de populatie. Je hoort ze soms ook huilen in de nacht, op de manier zoals alleen een wolf dat kan. Het is zijn signaal om zijn aanwezigheid aan te geven. In de zomer vind je in het park de typische uitwerpselen van de wolf. Ze lijken op die van honden, maar ze zijn groter en bevatten vaak haar en botjes. In de Majella zijn ze dikwijls te herkennen aan de groene of paarse kleur, omdat de dieren in het park ook bessen of groene planten eten. De loszwervende wolven in het park zorgen toch nog steeds voor enige spanning onder de inwoners van het gebied, dat hen hoe dan ook beperkingen oplegt. Zo is de bouw van woningen en hotels gelimiteerd en mag er nauwelijks een nieuwe weg worden aangelegd. Daar staat tegenover dat je geen dorp kunt passeren of je ziet een natuurmuseum, een botanische tuin of een bezoekerscentrum om toeristen te lokken. En dat lukt de jongste tijd uitstekend.
www.parks.it/parco.nazionale.majella
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 7 maart 2008 op het Romenieuws-archief.

