Je hebt nog slechts enkele dagen de tijd (tot 18 januari) om de schitterende tentoonstelling ‘Renaissance Faces, Van Eyck to Titian’ te bezoeken in de National Gallery in Londen. Onder de prachtige schilderen bevinden zich een reeks Vlaamse meesterwerken van Jan Van Eyck, Hans Memling, Quinten Metsys en Antonis Mor, maar ook van Albrecht Dürer en een hele serie Italianen onder wie Titiaan en Rafaël. De tentoonstelling toont prachtig hoe de renaissance het portret als het ware heruitvond. Het portret was nieuw in de renaissance want de middeleeuwen kende nauwelijks herkenbare portretten. Alles werd tot types herleid, tot onpersoonlijke figuren.
Onder invloed van het herontdekken van de portretten uit de antieke oudheid en een meer persoonlijke vorm van christendom, gingen schilders vanaf de 15de eeuw portretten schilderen van vooral voorname heren en dames. De allereerste portretten, zoals dat van een dame geschilderd in 1405 door een anoniem schilder aan het Bourgondische hof of Pisanello’s portret van Leonello d’Este, waren in profiel geschilderd naar het voorbeeld van antieke munten en medaillons. Albrecht Dürer schilderde een eeuw later de zakenman Kleberger als een gezicht dat uit een antiek medaillon lijkt te springen.
Aanvankelijk was de religieuze invloed in de portretten nog groot. Een buste van een mooie Florentijnse dame blijkt in feite een relikwieschrijn van de heilige Constance te zijn. En een buste van de rijke (en dikke) Florentijnse bankier Strozzi inspireert zich zowel op de vorm van dergelijke schrijnen als op antieke keizersbustes. Een vrouw die Margaretha heette, liet zich schilderen als haar patroonheilige, compleet met een vreemd soort draak aan een ketting, de attributen van de heilige Margaretha van Antiochië.
Langzaam onttrok het portret zich aan die religieuze en antieke invloeden. Erg duidelijk is dat in de vier portretten gemaakt door Jan Van Eyck, die in de tentoonstelling te zien zijn. Daaronder zijn vermoedelijk zelfportret met tulband, het portret van zijn vrouw (afkomstig uit het Groeningemuseum in Brugge) en het beroemde dubbelportret van het echtpaar Arnolfini. Portretten werden toen, zoals vandaag, gemaakt om een huwelijk, zoals bij de Arnolfini’s, of overleden vrienden of familieleden te herdenken. Het portret was (en is) een ‘memento mori’, een levend houden van een dierbaar iemand. ‘Léal souvenir’, een getrouwe herinnering, schilderde Jan Van Eyck onderaan op het schilderij van een jongeman.
Eén van de topstukken van de National Gallery, Hans Holbeins ‘De Ambassadeurs’ herinnert aan een vriendschap, die tussen de Franse ambassadeur in Engeland De Tinteville en zijn vriend bisschop De Selve die hem kwam bezoeken. Maar de door anamorfose vervormde schedel op de voorgrond werpt zijn moralistische schaduw over het tafereel: alles is vergankelijk. Een portret van Quinten Metsys herinnert aan een andere vriendschap: die tussen de Antwerpse stadssecretaris en humanist Peter Gillis en zijn vrienden Erasmus en Thomas More. Metsys schilderde portretten van zowel Gillis als Erasmus voor More. Later werd dat van Gillis vergroot om een pendant te vormen voor een ander portret van Erasmus, dat door Holbein.
Bizar is het tweeluik van een lelijke man en aartslelijke vrouw dat Quinten Metsys schilderde. Voor het eerst in eeuwen zijn de twee panelen op deze tentoonstelling weer samengebracht. Wie de vrouw is of ze werkelijk aan de ziekte van Paget leidt zoals dokters vermoeden, dan wel of ze een allegorie voor de lelijkheid is, is onbekend. Allicht zit er een, nu onbegrijpelijk geworden, satirische bedoeling verborgen in het doek want de lelijke vrouw biedt een rozenknop, symbool van de ongerepte liefde, aan haar gemaal op het andere paneel aan. Nog vreemder is Giuseppe Arcimboldo’s portret van keizer Rudolf II als een verzameling fruit, met een dikke peer als neus. Vandaag lijkt dit karikaturaal, in de renaissance was het dat niet. De keizer werd uitgebeeld als de Romeinse god Vertumnus, die moest zorgen voor een overvloedige oogst, dus voor voorspoed. Nog een verrassend, haast surreël, schilderij uit 1515 is dat van een jongen met ros haar met een kindertekening in de hand. Allicht is de kindertekening een zelfportret van de jongen, net als het schilderij misschien een zelfportret-als-kind is van de schilder Giovanni Caroto, of een portret van zijn zoon.
Portretten waren ook uitingen van macht. Niemand beseft dat beter dan de eerste moderne monarch, Filips II van Spanje, de eerste vorst die van achter zijn bureautje in het Escoriaal regeerde en niet van op het slagveld. Hij liet zich vereeuwigen door zijn hofschilder Antonis Mor. Mor, geboren in Utrecht, maar werkend in Antwerpen en Spanje, maakte niet alleen statige hofportretten voor Filips, maar hij schilderde ook Mary Stuart, en een prachtig, haast wuft portret van een Britse edelman aan het hof van koningin Elisabeth. De te weinig bekende Mor maakte ook het doek waarmee deze tentoonstelling afsluit: een waardig, diep menselijk portret van Perejon, de nar van Filips II. De oudere nar staart er keurig uitgedost als edelman bij, maar met vervormde arm en een pak speelkaarten in de hand. Schoonheid en lelijkheid, gezicht en smoel, gaan hier samen, zoals in het echte leven.
Renaissance Faces, Van Eyck to Titian
Sainsbury Wing
National Gallery, Trafalgar Square, Londen
Nog tot 18 januari
Dagelijks open van 10 u. tot 18 u., op woensdag tot 21 u.
www.nationalgallery.org.uk
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 13 januari 2009. Bekijk het origineel.

