De vroeg-christelijke Santa Balbina in de wijk San Saba (ook weleens de Kleine Aventijn genoemd) is gewijd aan de heilige Balbina, een martelares uit de tweede eeuw. Sinds 2006 is de kerk helaas vaak gesloten. In recente reisgidsen wordt deze kerk zelfs niet meer vermeld. Omdat in deze omgeving nauwelijks mensen wonen is er niet langer een parochie verbonden aan de kerk die tegenwoordig vooral wordt gebruikt als een plaats voor stil gebed en voor bijzondere vieringen zoals een huwelijk. Met een beetje geluk (lees: een aanwezige priester/buurtwerker, zie ook hierna) raak je er soms toch wel binnen. Als Romeliefhebber mag je die kans niet missen.
Het is inderdaad de moeite waard om even een poging te doen om binnen te raken in deze kerk, want in het gebouw bevinden zich een aantal opmerkelijke zaken. Het officiële adres van de basiliek is Piazza di Santa Balbina 8. De ingang bevindt zich aan de Viale Guido Baccelli. De normale procedure om binnen te geraken is rechts van de kerk door de poort van het rusthuis te gaan, en dan links de trapjes op, waarna je de zijingang bereikt. Volgens de meest recente informatie is de kerk enkel op zondag open van 10.30 tot 11.30 uur. Zoals iedereen weet kan dat in Rome altijd wijzigen. Mits een goed argument slaag je er wellicht ook in een afspraak te maken op het nummer 06 57 80 207.
Volgens de Nederlandse auteur Leo Van Egeraat (1923-1991), zowat de vader van de hedendaagse verhalende reisgids, wiens boeken over Rome en Italië meer dan een halve eeuw geleden werden gepubliceerd, maar die ook vandaag nog altijd boeiend en leerrijk zijn, die we graag blijven citeren en waarvan we altijd fan zullen blijven is deze kerk ‘wonderschoon’.
In zijn ‘Gids voor Rome’, een boekje dat je met veel geluk nog wel ergens tweedehands kan bemachtigen, lezen we over de Santa Balbina: “Ze bevat de mooiste cosmatengraven van Rome. Een uitzonderlijk gebouw als dit moet men niet exact en intellectueel benaderen, men moet erin ‘wandelen’ van achter naar voren en dan weer van voren naar achter, zo ondergaat men een stille prelude tot de eeuwigheid”. Dixit Van Egeraat.
We kunnen het zelf niet beter of anders verwoorden. Nu moet je weten dat Van Egeraat een soort reislustige maniak was die Rome vele jaren doorkruiste en zo perfect mogelijk in woord en kaart probeerde te brengen, maar wel volgens zijn zeer persoonlijke visie. Als hij het woord ‘uitzonderlijk’ in de mond nam, dan was dat ook zo, want de man was wel iets gewoon wat de oudheid en monumenten betreft.
De Santa Balbina is inderdaad één van de oudste kerken van Rome, al wordt ze pas voor het eerst vermeld tijdens de synode van 595. Oorspronkelijk was het de particuliere woning van senator Lucius Fabius Cilo, de domus Cilonis. De basiliek werd in de vierde eeuw bovenop het woonhuis gebouwd. De Santa Balbina is één van de weinige kerken in Rome waaraan de renaissance- en barokpausen niets veranderd hebben. Ook dat is bijna een unicum in Rome. Aan de kerk grenst een kloostercomplex dat sinds 1884 in gebruik is als verpleeghuis.
De priors van het aangrenzende klooster hadden gedurende eeuwen de eervolle taak ieder jaar in het Sancta Sanctorum tijdens de mis van de Verrijzenis, het evangelie in het Grieks voor te lezen. Het klooster werd tussen 2009 en 2013 omgebouwd tot het verpleeg- en rusthuis Santa Margherita. In de kerk bevond zich het graf van Stefan Vancza (István Báncsa), de eerste Hongaarse kardinaal, die in 1270 overleed. De huidige gevel dateert uit de zestiende eeuw. In de jaren ’30 van de vorige eeuw werd de basiliek ingrijpend gerestaureerd.
Tijdens deze werken werd ook een zeer oude sarcofaag ontdekt met opmerkelijke letters. Die hebben de basis gevormd voor de ontwikkeling van een nieuw font of lettertype, vandaag nog steeds gekend als Balbina.
De patroonheilige Balbina was de dochter van Quirinus, de tribuun die Alexander I (105-115, de vijfde opvolger van Petrus) had gearresteerd, samen met de bekeerde Hermes. Terwijl Quirinus Hermes bewaakte, verscheen de ongeboeide Alexander in het gezelschap van een engel om zijn vriend Hermes in het geloof te sterken. Quirinus was van deze onverwachte verschijning wel onder de indruk, maar niet overtuigd.
Hij vroeg de paus zijn zieke dochter Balbina te genezen. Maar Alexander vroeg aan Quirinus om de ketens van Petrus te zoeken, dezelfde die in Jeruzalem waren gebruikt om de apostel Petrus te ketenen. Dat was een kostbaar relikwie dat de paus absoluut in handen wilde krijgen. Quirinus zocht en vond ketens, Balbina kuste ze en genas.
Zelfs al zou dit verhaal op enige waarheid berusten, zijn het zeker niet de originele ketens van Petrus die de paus overtuigden om Balbina te genezen. Volgens de overlevering kwamen de (vermoedelijk) originele ketens pas in de vijfde eeuw in Rome terecht. Al vele eeuwen vormen ze een onderwerp van discussie.
Keizerin Licinia Eudoxia (422-462), de dochter van de Oost-Romeinse keizer Theodosius II en de vrouw van de West-Romeinse keizers Valentinianus III (419-455) kreeg de ketens toegestuurd die haar moeder van bisschop Juvenalis in Jeruzalem had gekregen. Ze liet speciaal voor de ketens (vincoli) van Petrus een kerk bouwen binnen de muren van een antiek paleis. Dat is vandaag de San Pietro in Vincoli, waar de ketens zich nog altijd onder het hoofdaltaar bevinden.
Zowel vader als dochter, door Alexander I bekeerd en gedoopt, ondergingen later de marteldood door onthoofding. Of Balbina net als haar vader werd onthoofd is niet duidelijk. Er zijn ook meldingen dat ze werd verdronken of levend begraven. Nog een andere versie is dat haar leven werd gespaard, maar tot haar dood in eenzame opsluiting moest blijven.
Volgens de overlevering werd Balbina begraven naast haar vader in de catacomben van Praetextatus. Niet ver van de Domine Quo Vadis-kerk bevond zich ook de catacombe Balbinae. Of het om dezelfde catacombe gaat, of om nog een andere begraafplek die later naar Balbina werd genoemd, is niet helemaal duidelijk. In ieder geval werden zowat drie eeuwen later de botten en de overblijfselen van Quirinus en Balbina naar de Sant Balbina gebracht, een kerk die toen ter ere van haar op hun oorspronkelijke woning werd gebouwd.
De door cipressen omzoomde kerk heeft een statige renaissanceportiek met drie arcaden met een brede trap ervoor, maar de middeleeuwse campanile verraadt de ouderdom van het gebouw. We komen eerst rechts van de kerk in een cortile of binnenplaats die omgeven is door middeleeuwse bouwsels (nu het rusthuis) op fundamenten uit de tijd van keizer Hadrianus (117-138). Deze zijn nog gedeeltelijk zichtbaar rechts in de doorgang tussen kerk en klooster. Dit zijn wellicht nog resten van het oorspronkelijke domus Cilonis. Aan het klooster bevindt zich nog een middeleeuwse verdedigingstoren. In het tuintje zien we verschillende oude amforen. Links betreden we de kerk langs een zijingang via een trapje.
Het stemmige interieur is een typisch staaltje van antieke zaalbouw. Het enige schip, met een open houten kapconstructie, heeft kapellen in de vorm van zes afwisselend rechthoekige en halfronde nissen. Daarin zijn resten zichtbaar van fresco’s uit de negende tot de veertiende eeuw. Aan de kant van het hoogaltaar heeft men destijds de muur uitgebroken voor het aanbrengen van een apsis. Het licht valt naar binnen door hoge ramen met traliewerk. Rechts van de hoofdingang (dus links van de door ons gebruikte zijingang) staat de grote graftombe van kardinaal Stefano Surdi of di Surdis, in 1295 of 1303 gemaakt (de bronnen spreken elkaar tegen over het juiste jaartal) en gesigneerd door Giovanni di Cosma.
Leo Van Egeraat had overschot van gelijk: dit is zonder meer het mooiste cosmatengraf in Rome. Oorspronkelijk stond het in de oude Sint-Pietersbasiliek, alleen al daarom is het een zeer memorabel stukje geschiedenis.
Na de dood van paus Honorius IV in 1287, nam kardinaal Surdi deel aan de verkiezing van Nicolaas IV. Dat conclaaf duurde elf maanden waarbij ondertussen zes van de ongeveer twintig deelnemende kardinalen stierven. Nadat Nicolaas IV in 1292 op zijn beurt stierf, stond de Heilige Stoel 27 maanden leeg tot Celestinus V werd gekozen en toen deze op 13 december 1294 na vijf maanden zijn waardigheid neerlegde (hij was ziek en zou sterven op 19 mei 1296), nam Surdi ook nog deel aan een derde conclaaf dat na tien dagen Bonifatius VIII tot paus koos.
In de derde nis links staat een opmerkelijk altaar gevormd door een cippus, een vierhoekige spitse zuil die als grenspaal gebruikt werd, met een mozaïekkruis uit de veertiende eeuw. Er boven zien we nog sporen van een fresco, deels bedekt door een recenter fresco, dat de ‘Verlosser, Maria en vier apostelen’ toont. Het wordt toegeschreven aan de school van Pietro Cavallini (omstreeks 1240/1250 – 1330/1340).
In de vierde nis rechts zien we de ‘Gekruisigde tussen Maria en Johannes’, een bas-reliëf dat destijds behoorde tot het graf van paus Paulus II (1464-1471), de bouwer van palazzo Venezia. Het reliëf komt eveneens uit de oude Sint-Pietersbasiliek. Het wordt toegewezen aan Mino di Fiesole en Giovanni Dalmata (1440-1509). De rest van het graf bevindt zich nog steeds in de ‘grotten’ onder de Sint-Pietersbasiliek.
De transenna is niet meer origineel maar een reconstructie uit 1931, weliswaar gemaakt volgens het antieke grondplan. Een transenna is een stenen, marmeren of metalen plaat met openingen erin, vaak gebeeldhouwd, die samen een decoratief geheel vormen. Ze werden verticaal opgesteld om plaatsen of objecten af te schermen, bijvoorbeeld als koorhek of rondom het graf of de relieken van een heilige.
In vroegchristelijke kerken werden ze ook gebruikt om vensteropeningen af te sluiten. In die functie hadden ze naast het decoratieve aspect ook de bedoeling voor licht en verluchting in het gebouw te zorgen. Achter of in de transenna werd soms een fijn houten maaswerk geplaatst om te verhinderen dat vogels via de openingen in het gebouw zouden vliegen. Soms werden de openingen gevuld met een doorschijnend materiaal zoals albast en werd de transenna dus eigenlijk een venster. Transenne als venster werden vanaf de romaanse periode vervangen door vensters in glas.
Op de vloer liggen verscheidene mooie fragmenten van wit-zwart mozaïeken die in 1939 ontdekt werden in een necropolis uit de eerste eeuw. Weinig mensen weten het, maar de rest van de vloer is een creatie van de restaurateurs die gebruik maakten van materiaal dat overgebleven was na de aanleg van de Via dei Fori Imperiali, de brede straat die dwars doorheen het Forum Romanum de verbinding maakt van Piazza Venezia naar het Colosseum. Mussolini liet deze imposante maar archeologisch verwoestende weg aanleggen om zijn troepen te laten paraderen. Bij die ingreep is veel archeologisch materiaal voorgoed verloren gegaan, in deze kerkvloer vind je er dus een klein stukje van terug.
Het hoogaltaar staat geïsoleerd, de grafkist in jaspis bevat de resten van de heiligen Balbina en Felicissimus, volgens sommige bronnen zou dat de nieuwe naam van haar (bekeerde) vader Quirinus zijn. Jaspis is een variëteit van kwarts; in de oudheid werden aan deze halfedelsteen magische krachten toegeschreven. De Egyptenaren en Grieken gebruikten jaspis om de seksualiteit te versterken en om een spoedige zwangerschap te bereiken. Aan jaspis worden ook een aantal geneeskrachtige werkingen toegekend, zoals stressvermindering, gewichtsverlies, de bestrijding van maagklachten en het verhelpen van leverproblemen.
In de late vijftiende eeuw werd de schedel van Balbina verwijderd en in een sierlijke reliekschrijn geplaatst. Na allerlei omzwervingen kwam het reliekschrijn terecht in het Metropolitan Museum of Art in New York City. Het is niet duidelijk of de schedel van Balbina er nog steeds in zit.
De cathedra achter het altaar is eveneens fraai cosmatenwerk en dateert uit de dertiende eeuw. Hij is nog in perfecte staat. De apsis is versierd met fresco’s die de ‘Glorie van Christus’ voorstellen, ze werden uitgevoerd door Anastasio Fontebuoni (1571-1626) die ook de mooie fresco’s in de Santa Prisca maakte. Hij was een navolger van de gebroeders Zuccari. Het houten plafond uit 1489 vermeldt de naam van kardinaal Marco Barbo, de neef van Paulus II.
Volgens de overlevering heeft keizer Constantijn in deze kerk bij zijn vertrek naar Constantinopel afscheid genomen van de paus. De kerk is al sinds de vijfde eeuw een titelkerk. De huidige titulus van de kerk is de Hongaarse kardinaal Péter Erdo, die tot 2003 aartsbisschop was van Esztergom, niet ver van Boedapest.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 4 oktober 2017. Bekijk het origineel.

