De naam van het Vaticaan

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Recent vroeg een lezer ons waar de naam Vaticaan eigenlijk vandaan komt. Dat is niet eens zo’n vreemde vraag, want het ministaatje van 44 ha dat ingekapseld zit in de stad Rome, had evengoed de oudere naam Pauselijke Staat, Kerkelijke Staat kunnen behouden of Santa Sede (Heilige Stoel) kunnen heten. De naam Vaticaan is afgeleid van de heuvel Vaticanus en die benaming zou op zijn beurt afkomstig zijn van een Etruskisch orakel ‘Vates’ geheten, dat hier destijds zou gezeteld hebben.

Het gebied rond de Vaticaanse heuvel strekte zich in de oudheid uit van de Milvische brug in het noorden van Rome tot aan de Janiculum (Gianicolo) in het zuiden. Plinius heeft het over een moerassig en zompig gebied vol slangennesten. Tacitus meldt dat soldaten in hun tentenkamp op de Vaticaanse heuvel ziek werden wegens de malaria, een probleem waarmee ook de pausen later moesten afrekenen. Op de hellingen van de Vaticaanse heuvel werd wijn van inferieure kwaliteit verbouwd. Martialis (40-104) noemt de vreselijk smakende Vaticaanse wijn ronduit vergif. Hij schreef vaticano bibas, si delectaris aceto, drink Vaticaanse wijn als je azijn wil proeven.

In de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. legde Agrippina maior, de kleindochter van Augustus, de vrouw van Germanicus, de moeder van Caligula (37-41) en de grootmoeder van Nero, tussen de Janiculum en de huidige Sint-Pietersbasiliek, grote tuinen aan. Hiervan werden nog resten teruggevonden onder het ziekenhuis San Spirito.

In die tuinen bouwde Caligula een ‘circus’ dat sterk leek op het latere sportstadion van Domitianus (de huidige Piazza Navona), het was 590 m lang en 95 m breed. Het circus van Caligula werd door Nero voltooid zodat het bekend raakte als het ‘circo di Caligula e di Nerone’. De carceres of startboxen voor de paardenrennen lagen ongeveer op de plaats van de huidige obelisk op het Sint-Pietersplein. Caligula plaatste op de spina deze 25 m hoge Egyptische obelisk, het is dezelfde die in 1586 door paus Sixtus V over een afstand van 200 m verplaatst werd naar het midden van het Sint Pietersplein, waar hij vandaag nog altijd staat. Een steen links naast de huidige Sint-Pietersbasiliek markeert de oorspronkelijke standplaats van de obelisk.

Tacitus (54-117) vertelt dat toen in 64 na Chr. een enorme brand grote delen van Rome in de as legde en de Romeinen wantrouwend naar de keizer keken, Nero de christenen als schuldigen aanwees. Als executieplaats koos hij zijn tuinen en het circus op de Vaticanus. We lezen: ‘Zo vonden ze de dood. Met huiden van wilde beesten bedekt werden sommigen door honden verscheurd. Anderen werden aan het kruis genageld en moesten wanneer het daglicht was afgenomen, branden bij wijze van nachtverlichting’.

De eerste verwijzing naar de aanwezigheid van Petrus in Rome dateert uit 96 na Chr. Het boek ‘Handelingen’ zwijgt erover, het enige dat we vernemen is dat Petrus na zijn bevrijding door een engel uit zijn gevangenschap in Jeruzalem ‘ergens anders heenging’ (Hand. 12,17). Of dat naar Rome was is niet zeker maar in de kerkelijke traditie (Eusebius, Hiëronymus, Tertullianus, Augustinus, Ambrosius, …) wordt wel aangenomen dat dit het geval was.

Men beroept zich daarbij onder andere op de eerste brief van Petrus aan de Hebreeën ‘de zustergemeenschap in Babylon groet u’ (1 Petr. 5,13). Dit ‘Babylon’ wordt in overdrachtelijke zin opgevat voor Rome als centrum van de wereldheerschappij en de afgoderij. Ook opvallend: nooit heeft een andere stad dan Rome de dood van Petrus binnen zijn muren opgeëist. Maar echt bewijsmateriaal is dat natuurlijk niet.

Volgens de oudste bekende teksten werd Petrus in 64 (of 67) in het circus van Caligula en Nero op de Vaticanus gekruisigd ‘inter duas metas’. Deze verwijzing leidde later tot twijfel; de ‘meta’ was het keerpunt voor de paardenstellen op het einde van de spina in het circus, het midden duidt dus op de plaats van de obelisk die in het midden van de spina tussen beide metas stond.

In een andere interpretatie verwijst men naar twee andere metas die zich in de stad Rome bevonden, waarbij de eerste meta verwees naar een piramidaal monument, gekend als de ‘meta van Romulus’, een kleine piramide vlakbij de Engelenburcht, en de tweede meta de ‘meta van Remus’ was, de nog bestaande piramide van Cestius bij de Porta San Paolo en die eeuwenlang verkeerdelijk werd beschouwd als het graf van Remus.

Halfweg de metas zou in deze twee interpretatie dan verwijzen naar de plaats van de San Pietro in Montorio. De Kerk opteerde uiteindelijk voor de eerste interpretatie en ‘liet Petrus officieel sterven op de Vaticanus”. Van hieruit zou nu ook het pausdom en de latere Kerkelijke Staat worden uitgebouwd en groeien.

Na zijn kruisdood werd Petrus bijgezet op de lokale begraafplaats, de necropolis Vaticana, die zich net naast het circus van Caligula en Nero uitstrekte over de hellingen van de Vaticaanse heuvel. De bekendste graftombe op deze necropolis was het praalgraf van keizer Hadrianus, tegenwoordig bekend als de Engelenburcht of het Castel Sant’Angelo.

De ondergrondse necropolis Vaticana werd bij opgravingen in de loop van de twintigste eeuw gedeeltelijk teruggevonden onder de vloer van de oude Sint Pietersbasiliek. Een tweede gedeelte van dezelfde necropolis werd recenter ontdekt bij de aanleg van een ondergrondse parking om de bezoekers voor het Heilig Jaar 2000 te kunnen opvangen. Beide sites zijn op aanvraag te bezoeken, vooral de necropolis van de Via Triumphalis is zeker de moeite waard.

Paus Pius XI (1857-1939) wilde graag zo dicht mogelijk bij het graf van Petrus begraven worden. In de nasleep van een grote opgravingscampagne die al in de jaren ’30 van vorige eeuw begon, werd tussen 1940 en 1949 onder de vloer van de Sint-Pietersbasiliek een deel van de antieke necropolis blootgelegd. Ook de mogelijke tombe van Petrus werd opgegraven. Hierin vond men het redelijk goed bewaard gebleven skelet van een stevig gebouwde man die bij zijn overlijden ongeveer 60 tot 70 jaar oud was.

Hoewel er geen enkel wetenschappelijk bewijs voor bestaat, maakte paus Paulus VI (1897-1978) in 1968 bekend dat het daadwerkelijk ging om de stoffelijke resten van Petrus. Het opgegraven deel van de necropolis, de zogenaamde Scavi, ligt op een diepte van 5 tot 12 m onder de vloer van de basiliek. Een aantal graven zijn gerestaureerd, waaronder de Tombe van de Julii uit de derde of vierde eeuw.

Het was keizer Constantijn (omstreeks 280-337) die het plan opvatte om rond het graf van Petrus een grote vijfschepige basilica te bouwen met in het midden de ‘memoria’, het graf van de apostel. Oorspronkelijk was er geen permanent altaar in de middenbeuk, enkel een marmeren kubus die het graf van Petrus omvatte. Volgens de Liber Pontificalis, het levende geheugen van de christelijke Kerk, waarvan de oudste teksten teruggaan tot omstreeks 540, werd de bouw aangevat in 319.

Archeologisch is het echter niet bewezen dat Constantijn de werken zelf vóór 330 na Chr. liet starten. Vandaag wordt gesteld, zij het met enige aarzeling, dat de opdracht tot de bouw zou gegeven zijn door een van zijn keizerlijke zonen, Constantijn II (337-340) of Constans I (337-350). De werken waren alleszins voltooid vóór 360, dus tijdens het bewind van de derde zoon van Constantijn, Constantinus II (337-361).

Opgravingen brachten in de vorige eeuw ook een aedicula of tempeltje aan het licht dat omstreeks het jaar 160 werd gebouwd. Dit zou een monument ter herinnering aan Petrus kunnen geweest zijn. Bij de bouw van de eerste Sint-Pietersbasiliek vanaf het begin van de vierde eeuw is men er alleszins van uitgegaan dat zich onder deze aedicula nog een graf bevond. Archeologisch onderzoek heeft echter uitgewezen dat dit niet het geval geweest kan zijn.

Tot 1940 dacht men dat de eerste basiliek gebouwd werd bovenop het circus van Nero, archeologisch onderzoek toonde echter aan dat ze zich deels op maagdelijke grond bevond. Zoals bij de vele andere Romeinse basilieken die boven een begraafplaats uit de oudheid werden gebouwd, was het bouwterrein erg ongelijk.

Constantijn (of zijn zoon), die de basiliek wilde centreren op het graf van Petrus, liet daarom het noordelijk deel van de bestaande necropolis afgraven en de mausolea in het zuiden dichtgooien. Daartoe liet hij ruim 350.000 m³ aarde verplaatsen, dat is een enorme kubus met een zijde van 70 m. Zo ontstond een breed platform waarvan de ondergrond verstevigd werd door nu nog bestaande funderingen.

Volgens de overlevering zou de keizer persoonlijk mee hebben geholpen bij het aanslepen van bouwmaterialen. Of dat klopt is niet meer te achterhalen. Het is historisch wel zeker dat Constantijn opdracht gaf tot de bouw van verschillende Romeinse basilieken die merendeels buiten de stadsmuren lagen, ver van de oude Romeinse tempels en buiten de jurisdictie van de Senaat en de lokale administratie.

Het zijn de San Sebastiano aan de Via Appia, de Sant’ Agnese aan de Via Nomentana, de San Lorenzo aan de Piazzale del Verano, de Santi Marcellino e Pietro aan de Via Labicana en de Sint-Paulus aan de Piazzale San Paolo. Slechts twee basilieken werden opgericht binnen de muren van Rome, al bevonden ze zich wel vlak tegen de stadsmuur en ver buiten het centrum, namelijk de Sint-Jan van Lateranen aan de Piazza di San Giovanni in Laterano en daar vlakbij, de Santa Croce aan de Piazza di Santa Croce in Gerusalemme.

De pausen hadden reeds in de vierde eeuw aanzienlijke grondgebieden rond Rome verworven, het Patrimonium Petri. Ze wisten dit in de vijfde eeuw uit te breiden door in de nadagen van het instortende West-Romeinse Rijk bescherming tegen invallende barbaren te bieden. Deze bezittingen maakten de bisschop van Rome in de zesde eeuw tot een van de grootste grondbezitters in Italië. Door de hervormingen van paus Gregorius I en het overstappen op een centraal bestuur kreeg dit gebied sterker het karakter van een eenheidsstaat, waarop de pausen met een beroep op een door Constantijn de Grote uitgevaardigde oorkonde (de later als vervalsing ontmaskerde Donatio Constantini) aanspraak maakten.

Deze Donatio Constantini (Schenking van Constantijn) is een vervalste Latijnse oorkonde uit de achtste eeuw. Dit stuk wordt ook wel Constitutum Constantini (Besluit van Constantijn) genoemd. Volgens deze oorkonde zou keizer Constantijn de Grote het wereldlijke oppergezag van het Westen hebben overgedragen aan paus Silvester I, als dank voor zijn genezing van lepra. Volgens dezelfde oorkonde zou Constantijn de bisschop van Rome boven de andere bisschoppen hebben gesteld wat betreft het wereldlijk gezag. De Donatio Constantini speelde gedurende de hele middeleeuwen lang een grote rol in de strijd tussen de paus en de vorsten.

Pas in de vijftiende eeuw toonden de Duitse humanist Nicolaas van Cusa (1433) en de Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1440) aan, dat het om een vervalsing ging. Desondanks werd dit document door opeenvolgende pausen, onder meer door paus Julius II, ook later nog steeds gebruikt om hun verloren macht op te eisen. De invloedrijke katholieke kerkhistoricus Caesar Baronius erkende begin zeventiende eeuw dat het effectief om een vervalsing ging. Wie destijds opdracht heeft gegeven om dit document te maken, zal waarschijnlijk nooit bekend raken. Het gaat wel om een stukje papier dat vele eeuwen lang zorgde voor heel wat strijd en nijd. Liefhebbers kunnen de tekst van het document hier nalezen.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 23 december 2017. Bekijk het origineel.