“Alea iacta est”. Of: “De teerling is geworpen”. Zo sprak Julius Caesar de ondertussen mythische woorden toen hij met de dobbelsteen over de toekomst van het Romeinse Rijk besliste en met zijn troepen over de Rubicon trok. Net als zoveel andere Romeinse keizers was Caesar een verwoed dobbelaar; hij was verslingerd aan het beruchte steentje en zijn onvoorspelbare uitkomst. Al meer dan vijfduizend jaar wordt de ouderdom van deze kleine kubus geschat en nog altijd bepaalt hij verloop en afloop van onze gezelschapsspellen. Wie de dobbelsteen uitvond of waar hij voor het eerst werd gebruikt, is moeilijk te achterhalen. De Griekse toneelschrijver Sophocles was er stellig van overtuigd dat enkel een Griek zo’n ingenieus kleinood kon bedenken. In lyrische bewoordingen dichtte hij de vondst toe aan Palamedes, die zou de dobbelsteen aan de Griekse militairen hebben gegeven om het lange wachten tijdens belegeringen te verlichten.
De geschiedschrijver Herodotus daarentegen beweerde dat de Lydische koning Atys het volk de dobbelsteen leerde kennen om hun gedachten te verzetten tijdens een hongersnood. Plato schreef het ontstaan van de teerling dan weer toe aan een Egyptische godheid. Deze laatste stelling is de minst waarschijnlijke. De Egyptenaren speelden met vierzijdige dobbelstenen uit botjes van dieren. De Soemeriërs beitelden minutieus kleine piramides uit hout of steen.
De zesvlakkige dobbelsteen, zoals wij hem nu kennen, dook voor het eerst op in de Induscultuur van wat nu Pakistan is. Via de Lydiërs kwam hij bij de Grieken terecht, die voor het eerst de ogen zo schikten dat de som van de tegenoverliggende zijden telkens zeven bedraagt. De Romeinen maakten van het dobbelen ten slotte een nationale sport, na de paardenrennen en de gevechten van de gladiatoren. De Romeinse keizer Claudius liet bijvoorbeeld zijn reiswagen zo ombouwen dat hij zonder schokken kon verder dobbelen.
Ook later in de geschiedenis besliste het rollen van de dobbelsteen soms over leven of dood. Hele koninkrijken zijn er met het kubusje verspeeld. Hendrik VIII van Engeland verloor tijdens het dobbelen onder meer de klokken van de St-Paul’s Cathedral. Niet voor niets werd in Oud-Franse teksten de uitvinding van de dobbelsteen toegeschreven aan de duivel himself.
Het is in ieder geval uitzonderlijk dat één enkel object al die tijd onveranderd blijft. Ieder jaar worden er patentaanvragen ingediend voor geavanceerde versies van de dobbelsteen, zoals mechanische teerlingen of elektronische apparaatjes. Het lukt hen niet de klassieke teerling te vervangen. Een spel dat op het geluk speelt, heeft een dobbelsteen nodig. Zo eenvoudig is het.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 7 maart 2008 op het Romenieuws-archief.

