Is oud worden iets ellendigs, een periode van gestage neergang, die alleen ongemakken met zich meebrengt? Wat is een zinvolle tijdsbesteding als je op hoge leeftijd komt? Het zijn universele vragen, waarover schrijvers zich al in de oudheid hebben uitgesproken. De bekendste van hen is Marcus Tullius Cicero (106-43 v. Chr.). Eén van zijn beroemde filosofische dialogen is De kunst van het oud worden, nu verschenen in een nieuwe vertaling van Vincent Hunink. Cicero geeft in zijn ‘De senectitude’ of ‘De kunst van het oud worden’ een heel positief antwoord. Voor hem is de ouderdom prettig. Het is voor een mensenleven iets als het slotbedrijf van een toneelstuk. We moeten zorgen dat dit niet gaat vervelen, vooral niet als het op een bepaald moment genoeg is geweest. Er hoeft van alles niet meer, er is tijd voor rust en mooie dingen, het is de leeftijd voor wijsheid. Dat positieve beeld van ouderdom zegt vooral iets over Cicero zelf. Cicero’s optimisme was waarschijnlijk vooral bedoeld om hemzelf en zijn lezers wat op te beuren.
Cicero schreef het boek aan het einde van zijn leven, nadat hij een totaal verkeerde politieke keuze had gemaakt tijdens de burgeroorlog: hij had Pompeius gesteund tegen Julius Caesar, maar Caesar won op alle fronten en werd uiteindelijk alleenheerser. Cicero mocht blij zijn dat hij het er levend van af bracht. Hij trok zich terug op zijn buitenhuis in Tusculum. Daar overleed zijn geliefde dochter Tullia. In die omstandigheden zocht Cicero troost. Hij vond die in de Griekse filosofie en schreef een groot aantal werken waarin hij de Griekse wijsbegeerte in het Latijn verwoordde. Maar eigenlijk was hij – zoals enkele privébrieven getuigen – depressief, en piekerde hij over zijn eigen lot én dat van de Romeinse Republiek. In 44 voor Christus, hij was toen 62, begon hij het boekje De senectute (over de ouderdom) te schrijven waarin hij bijna overdreven optimistisch een zonnig beeld ophing van een perfecte oude dag.
Nee, oud worden is niet vervelend, het is juist prettig eindelijk verlost te zijn van allerlei onstuimige begeerten en verlangens. Je geniet respect van je medeburgers, die je om raad vragen en je eren om je wijsheid en gezag. Eindelijk hoef je niets meer te doen en mag je op je lauweren rusten. Je kunt studeren of boeren. Kortom, het leven lacht je toe. Of het werkelijk zo rooskleurig was, is natuurlijk een andere zaak. Misschien vond Cicero dat hij zelf niet oud genoeg was voor dit soort uitspraken, daarom legde hij wat hij erover te zeggen had in de mond van de oude Cato, die – ruim honderd jaar tevoren – 84 jaar oud was. Het essay bestaat uit het lange antwoord van Cato op de vraag van twee jonge mannen, Scipio en Laelius: hoe zouden wij als het zover is de last van het oud worden kunnen verdragen? Van een zonnige oude dag kon Cicero overigens zelf niet genieten. Een jaar na de publicatie van ‘Over de ouderdom’ werd hij door zijn politieke tegenstanders vermoord.
Cicero was getuige geweest van de moord op Caesar in maart 44 v. Chr., maar maakte geen deel uit van het complot. Cicero en Marcus Antonius werden de twee grootste figuren in politiek Rome. Cicero als vertegenwoordiger van de Senaat en Antonius als Consul en uitvoerder van Caesar’s testament. Er ontstaat een machtsstrijd tussen Antonius, Lepidus en Octavianus (de adoptiezoon van Caesar, en latere keizer Augustus). Cicero, nog steeds een groot voorstander van de republiek, houdt een aantal redes (de Philippica’s), die de Senaat moeten opzetten tegen Marcus Antonius, ten gunste van Octavianus, toen nog een tiener. Cicero gelooft dat Octavianus zonder veel problemen door de Senaat gebruikt kan worden (Adolescens laudandus, ornandus, tollendus – De jongeman moet worden geprezen, onderscheiden en … ter zijde geschoven).
Cicero’s plan faalt wanneer Antonius, Lepidus en Octavianus tot een overeenkomst komen en besluiten hun macht te delen. Eén van de afspraken rond de overeenkomst is dat de drie ieder hun vijanden mogen executeren zonder gevolgen. Antonius zet niet alleen Cicero op zijn lijst, maar ook diens zoon, broer en neef. Octavianus, die zijn succes goeddeels te danken heeft aan Cicero, besluit Cicero geen bescherming te bieden. Cicero, zijn broer en zijn neef trachten uit Italië te vluchten. De twee laatsten worden vermoord wanneer zij hun vlucht staken om aan geld te komen, maar Cicero zet door. Plutarchus beschrijft de laatste momenten van Cicero: “Cicero hoorde (zijn achtervolgers) komen en gaf zijn dienaren opdracht de draagbaar (waarin hij vervoerd werd) neer te zetten waar zij stonden. Hij keek vastberaden naar zijn moordenaars. Hij was bedekt met stof, zijn haar was lang en ongeordend en zijn gezicht was pokdalig van zijn angsten – zodat de meeste omstanders hun gezicht bedekten terwijl Herennius hem doodde. Zijn keel werd doorgesneden toen hij zijn nek uit de draagbaar stak. Naar Antonius’ orders sneed Herennius zijn hoofd en handen af.”
Antonius laat vervolgens Cicero’s hoofd en handen aan het podium in de senaat timmeren als waarschuwing voor anderen. Cicero’s zoon, Marcus, verblijft in Griekenland op het moment van de moord en ontsnapt zo aan executie. In 30 v. Chr. wordt hij consul onder Octavianus, die Antonius versloeg nadat het tweede triumviraat ineenstortte. De macht van de Romeinse Senaat was definitief gebroken.
De kunst van het oud worden
Cicero – vertaald en toegelicht door Vincent Hunink
Athenaeum-Polak en Van Gennep Amsterdam, 2008
95 pagina’s
ISBN 9789025363352.
Prijs: 13,50 euro
http://www.thelatinlibrary.com/cic.html
http://www.koxkollum.nl/cicero/frameset.htm
http://www.koxkollum.nl/cicero/framesetbio.htm
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 18 mei 2008 op het Romenieuws-archief.

