Bij het verschijnen van dit boek hebben we er reeds aandacht aan besteed. Maar we blijven regelmatig vragen krijgen over dit meer dan uitstekende boek, dus daarom komen we graag nog eens uitgebreid terug op dit prachtig geschreven werk over de fresco’s van de Sixtijnse kapel. Daar komt nog bij dat De hemel van de paus al een paar jaar erg vlot verkoopt en het nog steeds te vinden in de winkels. Momenteel zelfs in een goedkopere, niet-ingebonden versie. Zoals bekend beschilderde Michelangelo in opdracht van de beruchte paus Julius II tussen 1508 en 1512 de plafonds van de Sixtijnse kapel. Dat titanenwerk staat centraal in de kunsthistorische studie De hemel van de paus van Ross King, die met dit boek een krachttoer aflevert. Ross King schoot al eerder regelrecht in de roos met het boek De koepel van Brunelleschi, over de bouw van de beroemde kathedraal in Firenze.
In 1505 werd de Florentijn Michelangelo door paus Julius II naar Rome ontboden. Die vroeg, de toen al beroemde beeldhouwer van de Pietá en de David, een reusachtige graftombe voor hem te ontwerpen. De opdracht voor zo’n megalomaan monument was Michelangelo uit het hart gegrepen. De kunstenaar trok spoorslags voor acht maanden naar Carrara om persoonlijk toe te zien op de marmerwinning en liet zo’n honderd ton naar Rome verslepen, een titanenkarwei in die dagen. Maar de humeurige Julius II, ook wel il papa terribile genoemd, veranderde van mening. De graftombe had plotseling geen haast meer – Rome moest eerst in de oude glorie herrijzen – en hij weigerde Michelangelo de vervoerskosten te betalen. De kunstenaar was zo opgefokt dat hij prompt een paard huurde en Rome uitvluchtte. Hij werd achternagezeten door vijf pauselijke ruiters, maar hij was hen te slim af. Michelangelo zwoer nooit nog één voet in het decadente Rome te zetten. Aan een vriend schreef hij dat “anders mijn graftombe eerder zou worden vervaardigd dan die van de paus”.
Julius II, een man voor wie zelfs kardinalen op hun benen trilden, dreigde met banvloeken, stuurde Michelangelo’s vrienden naar Firenze om hem te paaien, en protesteerde bij de Florentijnse republiek, die hem zwaar onder druk zette – “We laten ons niet vanwege u een oorlog in slepen en zetten om u niet de hele staat op het spel. Besluit terug te keren naar Rome” – maar de paus kon voor Michelangelo de pot op. Julius II liet het er niet bij. Toen de oorlogszuchtige paus Bologna had heroverd, vroeg hij Michelangelo om op dit neutralere terrein een immens bronzen beeld van hem op te trekken. Michelangelo ging daarop in, tenslotte was Bologna Rome niet, en hij hoopte stiekem dat hij zo alsnog zijn droom, de graftombe, zou mogen realiseren. Michelangelo’s beeld van Julius II was ruim vier meter hoog, niet toevallig precies zo hoog als het klassieke ruiterstandbeeld van keizer Marcus Aurelius (Capitool), de norm voor alle bronzen beelden in het zestiende-eeuwse Italië.
Michelangelo was amper teruggekeerd naar zijn geliefde Firenze, of hij vond een nieuwe brief van Julius II, nu met het verzoek om het gewelf van de Sixtijnse kapel in Rome met fresco’s te beschilderen. Rome mocht dan wel de hoofdstad van het christendom zijn, op het Capitool zwierven geiten rond, op het Forum Romanum graasden koeien en op het Circus Maximus werden groenten geteeld. Julius II had het megalomane plan opgevat om Rome weer prestige te geven en had daar heel veel voor over. Hij bood Michelangelo 3.000 dukaten aan, drie keer meer dan het loon voor het bronzen monument. Michelangelo trok niet alleen voor dat geld naar Rome, hij was ook mateloos ambitieus. Donato Bramante, de opperbouwmeester van het Vaticaan en een verklaarde vijand van Michelangelo, had de paus tijdens een diner openlijk ontraden om de plafondschildering van de Sixtijnse kapel aan Michelangelo uit te besteden – hij zag dat liever door zijn vriendjes gebeuren. Die roddel was Michelangelo ter ore gekomen, dus wilde hij bewijzen dat hij het wel kon. Vreemd genoeg, want Michelangelo voelde zich veeleer beeldhouwer dan schilder en het was inmiddels twintig jaar geleden dat hij zich nog – experimenteel – aan een fresco had gewaagd (hij was toen dertien jaar).
Frescoschilderen was in die dagen een vak apart en een competitiesport. Het kwam op veel techniek én snelheid van uitvoering aan. Er werd eerst verse pleisterkalk op muren of plafonds aangebracht en die moest meteen nat beschilderd worden. Sommige frescoschilders werkten daarom met beide handen tegelijk. De plafonds van de Sixtijnse kapel gaven bovendien extra problemen: er moest een ingewikkelde steiger voor worden ontworpen – het voorstel van architect Bramante veegde Michelangelo van tafel – en de perspectief op gewelfde muren vroeg een andere aanpak dan op platte muren. Michelangelo had met geen van beide ervaring. Door de vereiste snelheid was frescoschilderen meestal groepswerk, terwijl Michelangelo een verstokte, nurkse individualist was. Voor Michelangelo was alles dus gloednieuw. De kans dat hij zou mislukken was immens groot. Vier jaar lang zou Michelangelo met de Sixtijnse kapel worstelen. Tegelijk probeerde hij zijn vader en zijn (luie) broers in Firenze te onderhouden en maakte hij voortdurend ruzie met zijn assistenten of met de paus – die ranselde hem een keer af met een stok, omdat Michelangelo niet snel genoeg opschoot. Ik leid een ellendig bestaan, jammerde de kunstenaar tegen zijn vader, die hem bovendien bestolen had, “ik word afgemat door reusachtig gezwoeg en duizend bekommernissen. En zo leef ik nu al zo’n vijftien jaar, en nooit heb ik een gelukkig uur gekend”.
Precies deze vier jaar (1508-1512) staan centraal in het boek De hemel van de paus. Michelangelo en de Sixtijnse kapel van Ross King. The making of a masterpiece is de ondertitel in het Engels en dat is de nagel op de kop. Ross King is met dit spannende kunsthistorisch boek niet aan zijn proefstuk. De koepel van Brunelleschi was ook al een meesterlijke studie over zoiets schijnbaar saais als het tot een goed einde brengen van een meesterwerk, in dit geval de voor onmogelijk gehouden overkoepeling in Firenze. Ook nu weer kadert King het op zich vrij technische verhaal van de frescoschildering in een boeiende en brede maatschappelijke context. En hij doet dat op een meeslepende manier. Hij maakt er vier bewogen jaren van, en niet alleen voor Michelangelo. Terwijl de kunstenaar een heroïsch gevecht levert met zijn artistieke beslommeringen, laat zijn opdrachtgever in naam van God stromen christenbloed vloeien in diverse oorlogen: tegen Bologna, tegen Venetië, tegen de Fransen, tegen Firenze. Op zeker moment staat Rome zelfs op het punt te worden ingenomen door de troepen van de Franse koning. Als dat ooit was gebeurd, was er van het werk van Michelangelo in de Sixtijnse kapel waarschijnlijk geen sprake meer geweest.
Ross King schrijft ook historische romans en dat is te merken. Hij componeert de geschiedkundige feiten met veel oog voor drama. Niet alleen is er de haat-liefdeverhouding tussen Julius II en Michelangelo, hij plaatst die laatste ook tegenover Rafaël, die andere succesrijke schilder, die in dezelfde periode de vertrekken van de paus van fresco’s voorziet. Een grotere tegenstelling tussen beide kunstenaars is ondenkbaar. Rafaël is een mooie, jonge god, een vrouwenloper en een levensgenieter. Michelangelo is nors, getormenteerd, en (waarschijnlijk) celibatair en (misschien) homofiel, hij leeft uiterst sober en ziekelijk onhygiënisch – soms is zijn vel door het lange dragen van schoenen dermate aan zijn zolen gekoekt dat het meekomt als hij zijn schoeisel uittrekt. De rivaliteit tussen beiden doet denken aan de felle strijd tussen Brunelleschi en Ghiberti in De koepel van Brunelleschi. Michelangelo is bovendien paranoïde, overigens niet altijd ten onrechte. Als hij in augustus 1511 de eerste helft van de Sixtijnse kapel tentoonstelt, is Rafaël zo onder de indruk dat hij nog beter wil doen en van de paus gedaan probeert te krijgen dat hi
j de rest mag schilderen. Tevergeefs, gelukkig maar. Voor de mensen van Rome in 1511 was Rafaël mooi, maar Michelangelo subliem, aldus King. Ook Erasmus, Luther en Machiavelli komen even een frisse neus in Rome halen, maar het heuse drama is en blijft toch het gevecht van Michelangelo met het gewelf van de Sixtijnse kapel.
Ross King slaagt er in De hemel van de paus weer moeiteloos in om zowel die vier bewogen jaren als de belangrijkste personages tot leven te wekken. Hij ontraadselt Michelangelo’s iconografie en weet zeer geloofwaardig te maken hoe nieuw al deze voor ons vertrouwde beelden in zijn eigen tijd waren. De frescokunst was voorgoed veranderd. Tussendoor ontmaskert hij nog enkele hardnekkige mythes. Michelangelo heeft de klus niet op zijn eentje geklaard, zoals hij zelf deed voorkomen. Hij heeft de fresco’s ook niet liggend op zijn rug geschilderd. Dat laatste fabeltje danken we aan een verkeerde vertaling van een woord uit zijn eerste biografie. En Michelangelo werd evenmin, ondanks zijn eeuwig gezeur, slecht betaald voor zijn werk, dat blijkt uit een vergelijking met de betalingen van andere kunstenaars. De hemel van de paus is, kortom, een veelgelaagd en propvol boek. Je kan alleen maar bewondering hebben voor deze nieuwe krachttoer van Ross King.
De hemel van de paus. Michelangelo en de Sixtijnse kapel
Auteur: Ross King
De Bezige Bij, Amsterdam – 416 blz.
Oorspronkelijke titel: Michelangelo and the Pope’s Ceiling. The Making of a Masterpiece.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 15 september 2005 op het Romenieuws-archief.

