De emmer van Anloo

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

(Wetenschappelijk) onderzoek kan soms volledig naast de kwestie zijn. Of naast het object. Wat hier volgt is daar een voorbeeld van, in letterlijke zin. De uitermate rijke collectie handschriften van de Koninklijke Bibliotheek van België telt slechts één exemplaar van de Commentarii de bello Gallico van C. Iulius Caesar, ms. 17937. Een 15de-eeuws handschrift dat in verband kan worden gebracht met de abdij van Park bij Leuven en dat zijn plaats heeft in het vroegste Humanisme in onze contreien, meer bepaald in de activiteiten van abt Diederik van Tulden. Maar dat is nu niet van belang.

Het is het handschrift ernaast dat mijn aandacht trok, ms. 17936. Eenvoudig omdat het naast het andere stond. Overigens is het in bibliotheeklogica zeker niet zo dat het logisch is dat 17936 naast 17937 staat, omdat de handschriften per formaat zijn gerangschikt en ms. 17936 dus een ander formaat had kunnen hebben (en daarmee op een andere plaats had kunnen staan) als ms. 17937. Dan was dit stukje nooit geschreven. Maar ms. 17936 staat dus wel degelijk naast ms. 17937. En nieuwsgierigheid is een onbeheersbare eigenschap.

Ms. 17936 blijkt het verslag te zijn van de opgraving van een hunebed nabij Emmen in de Nederlandse provincie Drenthe. Het hunebed in kwestie (D41 om het officiële nummer te citeren) werd in 1809 ontdekt door iemand die ofwel op schatten uit was ofwel op stenen om ze tot kleinere stenen te kloppen ofwel op beide.

De schultes van Emmen, de heer C. Pothoff, kreeg het echter te horen en reageerde meteen. Sinds 1734 was het vernietigen van hunebedden bij plakkaat verboden: met deze beschermingswet was Drenthe een van de eerste wereldwijd. De Landdrost, Petrus Hofstede (1755-1839), stuurde meteen zijn broer, de ontvanger-generaal Johannes Hofstede (1765-1848), naar Emmen. Deze trof het hunebed nog vrijwel ongestoord onder de zandheuvel die het bedekte, aan en beschrijft in het verslag gedetailleerd hoe men het uitgroef en opmat en wat men er vond.

Deze opgraving geldt als bijzonder goed gedocumenteerd en was tot nog toe bekend uit een versie van het verslag in het archief van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden (Pleyte-archief, doos C257, C, 21-34). In dat archief bevinden zich ook twee tekeningen die niet in het Brusselse exemplaar zitten. Daarentegen zitten in het Brusselse exemplaar wel zes bladen ingenaaid, met steeds twee tekeningen van potten die niets met de tekst te maken hebben.

Ondergetekende, onvermoeibaar speurder in handschriften als hij is, kon echter niet alleen aantonen dat de tekeningen min of meer vanaf het begin tussen de bladen van het verslag hadden gezeten, maar ook dat er tenminste drie verschillende fasen onderscheiden konden worden in de manier waarop deze tekeningen in de tekst hadden gezeten. De wetenschap staat voor niets.

Dezelfde ijverige speurder had inmiddels contact opgenomen met de autoriteiten in Drenthe en daar herkende de provinciaal archeoloog Wijnand van der Sanden een van de afgebeelde objecten. Dezelfde Johannes Hofstede die overigens door zijn broer tot eerste provinciaal archeoloog was benoemd en ook ijverig speurde naar hunebedden en andere oudheden, had een kleine privécollectie van archeologisch spul.

In 1809 stuurde hij deze verzameling (of een deel ervan) in twee delen naar het Rijksmuseum in Amsterdam dat de objecten in 1825 en 1826 doorstuurde naar het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Het Brusselse rapport over hunebed D41 is gedateerd op 24 april 1809; de eerste zending van de collectie Hofstede stamt van 4 april 1809… Daarmee leek het voor de hand te liggen: de Brusselse tekeningen tonen objecten uit de collectie van Johannes Hofstede.

De literatuur over deze materie is nogal verwarrend, omdat niemand eigenlijk de documenten zelf lijkt te hebben gezien. Ondergetekende trok dus naar Leiden en vond daar de Leidse versie van het verslag (gedateerd op 30 april 1809, wat waarschijnlijk een vergissing is), de lijsten van de objecten die Johannes Hofstede naar Amsterdam verstuurd had, én de tekeningen die deze lijsten en objecten hadden begeleid en die met de Brusselse overeenkomen. Daarmee bestaan er dus twee reeksen van deze tekeningen. Uit vergelijking van het watermerk en het handschrift blijkt dat het Brusselse handschrift de (onbekende) eigen kopie van Johannes Hofstede is en dat de Leidse versie van het rapport een ambtelijke kopie is. De Leidse tekeningen zijn evenals de Brusselse naar de objecten zelf gemaakt.

Het object dat Wijnand van der Sanden had herkend, staat in de archeologische literatuur bekend als de ‘emmer van Anloo’. Het gaat om een bronzen vat, eerder breed dan hoog, voorzien van een hengsel dat bevestigd is aan een kraag van ijzer die als een soort draad om het bovenstuk van de pot loopt. Volgens wat Hofstede in een aantekening vermeldt, zou hij het object hebben gevonden in een tumulus of grafheuvel in de buurt van het dorpje Anloo op de Hondsrug. Anloo is bekend om zijn Magnuskerk, een van de oudste kerken van Drenthe, met dezelfde patroonheilige als de SS. Michele e Magno in Rome, ook bekend als de Friezenkerk.

De bronzen emmer zou volgens Hofstede vol beenderen en as hebben gezeten en wordt dientengevolge geïnterpreteerd als een urn. Nu zag Hofstede overal as, zodat deze bewering niet absoluut waar hoeft te zijn. Archeologen hebben aan de hand van de tekening de emmer van Anloo gedateerd in de 2de of 3de eeuw en herkennen het als een uit het Romeinse rijk ingevoerd product. Drenthe lag immers buiten het imperium, maar onderhield wel commerciële contacten met de Romeinse wereld. Zo is er in Beilen een heuse goudschat gevonden (nu in het Drents Museum in Assen).

U hebt goed gelezen: ‘Archeologen hebben aan de hand van de tekening’. De eigenlijke emmer is namelijk zoek. De aanwezigheid op de tekeningen in Leiden en Brussel laat vermoeden dat Johannes Hofstede de bedoeling gehad kan hebben om de emmer naar Amsterdam te sturen, maar het object ontbreekt op de twee lijsten en in Leiden is de emmer ook niet te vinden. Nu eindigt de eerste lijst met nummer 31, terwijl de tweede met nummer 33 begint en zegt dat de eerste tot en met 32 gaat. Daaruit wil men afleiden dat de emmer van Anloo als nummer 32 op de eerste lijst had moeten staan en dat Hofstede op het laatste moment heeft beslist om deze emmer niet naar Amsterdam te sturen.

Volgens mij hoeft dat niet zo te zijn: het kan even goed gaan om een eenvoudige telfout: toen Hofstede zijn tweede lijst maakte, was de eerste al weg en vergiste hij zich mogelijk. Een dergelijke telfout vinden wij dagelijks in handschriften met handmatige foliëring: men telt door in zijn hoofd en denkt dat het getal dat nu zou moeten volgen, net al geweest is, zodat men één nummer bij de paginering overslaat.

Hoe dan ook: de emmer is niet naar Amsterdam gegaan en zit dus ook niet in Leiden. Als Nicolaas Westbroek in 1815 een hele verhandeling schrijft over Drentse oudheden en met name over de hunebedden, vermeldt hij dat hij de emmer nog bij Hofstede thuis heeft gezien. Hij was de laatste.

Een zekere L.I.F. Janssen publiceert in 1859 nog een kort stukje over de emmer, vergezeld van een lithografie, maar het is duidelijk dat hij de emmer zelf niet meer heeft gezien. Sinds 200 jaar heeft niemand meer het object waargenomen. En dat terwijl het eigenlijk om een bijzondere vondst uit de Romeinse periode in Drenthe gaat.

Er is inmiddels vanuit Assen en Brussel een ‘Cel Vermiste Emmer’ opgestart, met twee vrijwilligers die, se non è vero è ben trovato, ma è ben vero, in Anloo wonen. Ondergetekende heeft reeds afstammelingen van Johannes Hofstede opgespoord. De zoektocht is begonnen!

Wordt (misschien) vervolgd, want de prangende vraag blijft: waar is de emmer…?

Met dank aan ons gewaardeerde clublid dr. Michiel Veweij voor deze bijdrage

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 11 oktober 2013. Bekijk het origineel.