De complexe Secundini

img 14058 0

Avonturen met opschriften – XIV

Vorig jaar begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze leden (maar uiteraard ook bijzonder leerrijk voor alle anderen). Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de veertiende bijdrage in deze reeks.

* * * * *

Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval. Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.

Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Vandaag deel XIV. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen. De foto’s in deze nieuwsbrief werden door de auteur genomen op 28 februari van dit jaar, tijdens zijn (voorlopig) laatste bezoek aan Rome.

secundini(13)

Wat rest een mens in coronacrisistijden? Op het moment dat Schrijver dezes dit schrijft (merk hier het chiasme…), kunnen we alweer bijna nergens naar toe. De grenzen zijn open, maar de kleurenjongens van het ministerie zwieren driftig met oranje en rood. Groen is duidelijk niet populair.

Hoe gaat de viruscrisis de komende weken en maanden evolueren? Misschien gaan de grenzen wel weer helemaal dicht. Misschien treedt er verbetering op. Wie weet, maar op dit moment ziet het er allemaal niet heel hoopvol uit.

Maar goed, op deze 21ste september zat Schrijver dezes te bedenken: wat rest een mens in coronacrisistijden? Het was vier dagen na de verjaardag van zijn eerste aankomst in Rome. Ja, een mens kan soms eigenaardige dingen herdenken. Zeker Schrijver dezes.

Hij herinnerde zich nog goed hoe hij bij aankomst met de trein voor het eerst de piramide van Cestius zag en ineens van die ontzagwekkende waarheid doordrongen werd: IK BEN IN ROME!

Hij herinnert zich ook nog goed hoe hij na een lang bezoek aan de Vaticaanse Musea op de helling van de Gianicolo ging rusten, aan de kant van de Porta Aurelia en hoe daar, toen hij in het gras zat te lezen, ineens uit een huis boven pianomuziek weerklonk.

secundini(14)

Een andere blijvende herinnering is hoe hij de eerste dag in de Capitolijnse Musea in de zaal van de Brutuskop en de Spinario – het was warm, nog altijd zo’n 30°, het raam stond open, het geluid van buiten drong zacht door, net als de geuren van de bomen en bloemen – op dat moment ‘viel’. Het is nooit meer goed gekomen.

Hij herinnert zich ook hoe hij toen voor het eerst in de catacomben van Calixtus en van Domitilla kwam. In de laatste was een priester van Aziatische afkomst die de rondleiding verzorgde en dit op een bepaald moment zei dat iedereen die naar Rome kwam een bepaald doel had.

Toen hij aan een omvangrijke Amerikaanse dame vroeg waarom zij naar Rome was gekomen, gaf deze zonder aarzelen of verpinken het antwoord: ‘I don’t know, I just followed her’, daarbij wijzend op haar even omvangrijke buurvrouw.

secundini(2)

Genoeg gekletst. Hier rest maar één remedie. Als het niet in lijf en leden kan, dan maar in de geest. Op naar de Via Appia!

Zoals de dichter zei:

Somniant pini calidis sub horis,
Aestus impendet, tremulum cicadae
Murmurant cantum, leuiter susurrat
Ventus in umbra;

Allicit uini cyathus neglecti,
Allicit carmen placideque in herba
Haurio stratus – modo poscit hora! –
Somnia uatum

‘Dromend staan de pijnbomen in de warme uren,
De hitte hangt over alles heen, de cicaden
Murmelen hun trillend lied, zacht fluistert
Wat wind in de schaduw;

Lokkend is een glas vergeten wijn,
Lokkend een gedicht, en behaaglijk uitgestrekt
In het gras put ik – het is er de tijd voor! –
De dromen van de dichters.’

Welke dichter zoekt u zelf maar uit, trouwens… Schrijver dezes doet al genoeg. Hij heeft u nu net in de geest meegevoerd naar de Via Appia en daar sjokt u nu, want het is heet.

U hebt de lunch gebruikt bij de bar bij de laatste bushalte, een panino en een glas Frascati op het terrasje achteraan, en wat soezelig van de wijn sjokt u nu langs de pijnbomen en cipressen, langs de verlaten steenhopen met soms wat herkenbaardere fragmenten, over de basaltstenen die de weg een paradijs doen zijn voor de voetgangers want niemand anders kan daar gemakkelijk overheen, geen fietsers, geen auto’s. En dan, dan staat u ineens oog in oog met het grootse grafmonument der Secundini.

Aan uw rechterkant, als u in tegenstelling tot het spreekwoord volgens welk alle wegen naar Rome leiden, juist van Rome weg loopt. Een vormeloze hoop is alles wat er van het eigenlijke monument rest.

Men vermoedt dat het een torenachtig monument is geweest, mogelijk met piramidaal dak en een beeld van de voornaamste begravene (archeologen hebben soms toch werkelijk veel fantasie), en vóór deze vormeloze hoop staat een negentiende-eeuwse reconstructie.

secundini(6)

Het is een breed veld, met links en rechts bovenop een volledige steen (volledig? ja, volledig, het lijkt een wonder). Die twee bovenste stenen dragen een volledige tekst, maar zijn door de afstand niet zo gemakkelijk leesbaar, want de hoogte is omgekeerd evenredig aan de lettergrootte.

Dat wordt dan weer gecompenseerd door het hoofdopschrift op het brede veld, waar in grote letters net enkele letters zijn te lezen, want dit opschrift (dat dan net zo goed leesbaar was) is in hoge mate fragmentair.

U wilt al doorlopen, maar Schrijver dezes staat het niet toe. Hij trekt u aan uw mouw en wijst op het magische woord: AVG LIB Aug(usti) lib(ertus) ‘vrijgelatene des keizers’. Een voormalige paleisslaaf dus, een van die vrijgelatenen die in de eerste eeuw vanaf Claudius (41-54) zo’n belangrijke rol gingen spelen in het bestuur van het rijk. Deze man stond daar dicht bij.

Ineens is alle zwaarte verdwenen en u probeert de tekst te ontcijferen (CIL, VI, 1859):

]VG LIB SECVNDVS
]R[ ]C[
]SVS[ [.] ]VL[ ]OR
SCRIBA LIBRA[ ]VIAT[

FLAVIAE IRENE VXORI OP[
TI CLAVDIO SECVNDIN[
CLAVDIAE SECVNDINA[

Overigens zal blijken dat de officiële transcriptie in het Corpus Inscriptionum Latinarum geen rekening houdt met de uiterst fragmentarische brokken in de regels 2 en 3 aan de rechterkant en dat de eerste brokjes in die regels aan de linkerkant in de transcriptie een stuk naar rechts zijn opgeschoven. Maar dat is van latere zorg.

secundini(10)

Eerst de vraag: wat weten we nu? De eerste regel is in veel grotere letters dan de regels 2-4 die weer groter zijn dan regels 5-7. De naam in de eerste regel is dus veruit de belangrijkste en die hebben we nu net niet volledig.

We weten dat hij Augusti libertus was, vrijgelatene van de keizer: de aanvulling van VG tot AVG ligt voor de hand en zal trouwens straks nog bevestigd worden. We weten ook dat hij de naam Secundus droeg. In de nominatief.

Uit regel 4 leren we (met zekerheid) dat hij scriba libra[rius] was, secretaris of schrijver en kopiist, iemand uit de echte administratie dus, maar tegelijk iemand die toch voldoende fortuin moet hebben verworven om zich een dergelijk indrukwekkend grafmonument te kunnen veroorloven.

Deze […] Secundus staat, zoals gezegd, in de nominatief, is dus het grammaticaal onderwerp. De drie andere namen, op de regels 5-7, zijn nagenoeg volledig en in ieder geval gemakkelijk aan te vullen:

Flavia Irene, zijn beste vrouw (aan te vullen: OP[TIMAE];
Ti(berius) Claudius Secundinus (aan te vullen: SECVNDIN[O], misschien nog: FIL(io) ‘zijn zoon’);
Claudiua Secundina (aan te vullen: SECVNDINA[E], misschien nog FIL(iae) ‘zijn dochter’).

De aanvullingen filio en filiae zijn hypothetisch en kunnen ofwel volledig ofwel afgekort zijn geweest. Dat is allemaal niet het probleem. Het probleem is dat deze namen in de datief staan. Dat wil zeggen dat de zinsconstructie is dat Secundus (dit monument heeft opgericht) voor Flavia Irene, Tiberius Claudius en Claudia. Niet omgekeerd.

secundini(9)

Goed. U knikt en u denkt dat u goed werk hebt gedaan, ook al is er nog veel niet duidelijk. U knikt terecht. Nu richt u uw aandacht toch op de twee opschriften bovenop die een stuk moeilijker te lezen zijn. U knijpt uw ogen dicht, want u begint langzaam tegen de zon in te kijken, en u leest:

Rechtsboven (CIL, VI, 1860):

TI CLAVDIO
AVG LIB
SECVNDO
PHILIPPIANO
COACTORI
FLAVIA IRENE
MARITO
INDVLGENTISSIMO

Bijna geen afkortingen, zodat de tekst luidt:

Ti(berio) Claudio / Aug(usti) lib(erto) / Secundo / Philippiano / coactori / Flavia Irene / marito / indulgentissimo

‘Voor Tiberius Claudius Secundus Philippianus, vrijgelatene des keizers, belastingontvanger, (heeft dit opgericht) Flavia Irene, voor haar gewillige (of: tedere) echtgenoot.’

We noteren dat deze steen die een rechte bovenkant heeft, is opgericht door Flavia voor haar echtgenoot. We noteren ook dat we onze hoofdtekst nu kunnen aanvullen tot:

TI. CLAVDIVS A]VG LIB SECVNDVS [PHILIPPIANVS
COACTO]R[ ]C[
]SVS[ [.] ]VL[ ]OR
SCRIBA LIBRA[RIVS] VIAT[

FLAVIAE IRENE VXORI OP[TIMAE
TI CLAVDIO SECVNDIN[O FILIO (?)
CLAVDIAE SECVNDINA[E FILIAE (?)

Het opschrift rechtsboven geeft ons immers de volledige naam van Secundus en licht ons bovendien in over een van zijn beroepsactiviteiten, nl. dat hij coactor was. Dat zal hem u niet geliefd maken, want een coactor was een incasseerder, iemand die de belastingopbrengsten binnenhaalde (en daar meestal wel wat aan over hield, niet omdat hij op zijn beurt de staat oplichtte, maar omdat hij gewoon wat meer vroeg).

Overigens geeft de officiële transcriptie / editie in het CIL nog heel wat meer aanvullingen. Deze zijn echter niet afkomstig uit vermoedens op basis van de materiële eigenschappen van dit opschrift, maar op basis van een in Efese gevonden opschrift voor een Tiberius Claudius Secundus die met de onze geïdentificeerd wordt.

secundini(5)

In mijn ogen ontbreekt daarvoor echter voldoende bewijs. Schrijver dezes geeft grif en gaarne toe dat hij voor geen kleintje vervaard is als het erop aan komt iets aan te vullen, maar dan moet er toch voldoende zekerheid voor bestaan. In wezen is hij heel ‘conservatief’ (al zou de lezer van de Vier letters van Aardenburg dat niet zeggen)…

De tweede tekst bovenop, nu aan de linkerkant, luidt (CIL, VI,1605) :

TI CLAVDIO
TI FILIO PAL
SECVNDINO
AN NAT IX M IX
D XIIX EQVO PVBL
DVLCISSIMO
FLAVIA IRENE
MATER

Ofwel, zonder afkortingen:

Ti(berio) Claudio / Ti(berii) filio Pal(atina) / Secundino / an(nos) nat(o) IX m(enses) IX / d(ies) XIIX equo publ(ico) / dulcissimo / Flavia Irene / mater

‘Voor Tiberius Claudius Secundinus, zoon van Tiberius, uit de tribus (= kiesdistrict) Palatina, 9 jaar, 9 maanden en 18 dagen oud, begiftigd met een paard van staatswege, voor haar liefste (heeft dit opgericht) Flavia Irene, zijn moeder.’

Blijkbaar was de jonge Tiberius zo in de smaak gevallen dat hij van staatswege een paard gekregen had. Het begrip equus publicus is bekend, zodat dit geval niet alleen staat.

Ook valt op dat in deze tekst nadrukkelijk alle kenmerken van een Romeins burger worden gegeven: naam (met de tria nomina), de tribus of het kiesdistrict waartoe hij behoorde, en de naam van zijn vader (en dus niet van de patronus die hem vrijgelaten heeft, zoals bij Secundus zelf).

De verschillende teksten bevatten dus met enige nadruk aanduidingen over het functioneren en het statuut van de verschillende personen. De naam van Secundus Philippianus doet vermoeden dat hij een vrijgelatene was van een van de keizers van de Julisch-Claudische dynastie.

De naam van zijn vrouw (die niet expliciet vrijgelatene wordt genoemd, maar wel liberta of libra moest zijn, omdat ze anders geen wettig huwelijk kon aangaan en dus ook geen wettige kinderen kon hebben) suggereert dat zij een vrijgelatene kan zijn van een van de Flavische keizers.

Als we deze gegevens bij elkaar in de buurt brengen (en geen leeftijdsverschil van 50 jaar aannemen), dan zou het goed kunnen zijn dat Secundus een vrijgelatene van Nero was en Flavia Irene van Vespasianus, maar dat is natuurlijk hypothetisch. Dat brengt ons opschrift op het einde van de eerste of begin van de tweede eeuw.

secundini(8)

Maar nu komt het probleem: hoe moeten we het met elkaar verenigen dat de hoofdtekst stelt dat Secundus het grafmonument voor zijn vrouw en kinderen opricht, terwijl de kleine tekst rechtsboven nu net zegt dat de vrouw dat opschrift voor haar man heeft opgericht? Dat lijkt in eerste instantie tegenstrijdig…

Er zijn een paar elementen die de aandacht verdienen. Ten eerste is het niet zeker dat de twee kleine stenen bovenop de huidige negentiende-eeuwse reconstructie grafmonumenten zijn. Zo ontbreekt de aanduiding D M Dis Manibus ‘voor de goden van de onderwereld’, maar omdat deze aanduiding pas vanaf de Flavische periode voorkomt en we hier toch net na het begin van die tijd zitten, kan dat een verklaring zijn.

Belangrijker is mogelijk dat de bovenkant recht is. Dat lijkt banaal, maar toch: ik heb al eerder laten doorschemeren dat de vorm van een opschrift en de concrete gedaante en waarin het is opgesteld, van belang zijn. De meeste grafmonumenten (zoals bijv. in de opschriftentuin bij de Thermen van Diocletianus) hebben boven een timpaan al dan niet met rozetten of een halfronde afsluiting. Een rechte afsluiting komt veel minder voor.

secundini(1)

Bovendien: wat is het nu aparte opschriften te hebben als je al een grote tekst hebt die alles zegt? Waar zouden die kleine dan hebben gestaan? Langs de weg? Daar waren ze niet nodig, want voorbijgangers zouden de hoofdtekst al hebben gelezen.

Binnenin de tombe? Daar zag niemand ze en zijn ze dus ook minder zinvol, want het gaat er bij deze teksten nu net om dat men ze leest, dat men de namen uitspreekt en op die manier de overledenen aan de vergetelheid ontrukt en hun daardoor leven schenkt. Schrijver dezes doet nu al alinea na alinea niets anders dan de familie van Secundus in het leven te roepen…

secundini(7)

Vandaar dat men denkt (en dit is voor één keer niet een idee van Schrijver dezes…) dat deze kleine opschriften bases voor standbeelden zijn geweest. Moeder Flavia Irene zou dus een beeld hebben opgericht voor haar man en haar zoon.

Ik ben dan ook bang dat, gezien de nauwkeurige opgave van de leeftijd van de jonge Tiberius Claudius, de zoon inderdaad op de leeftijd van 9 jaar, 9 maanden en 18 dagen overleden is: een dergelijke exacte aanduiding van de leeftijd is typisch voor grafopschriften.

Mogelijk betekent het dan ook dat Secundus zelf ook overleden is vóór zijn vrouw, want het ligt meer voor de hand dat een dergelijk beeld is opgericht voor een overledene dan voor een levende. Althans in deze funeraire context…

De afwezigheid van de naam van de vader in het opschrift voor de zoon kan er op wijzen dat de eerste op dat moment al overleden is. Dus dat de moeder als laatste van de drie is overgebleven.

Helaas weten we verder niets over Claudia Secundina, de dochter: we hebben geen nadere gegevens en kunnen haar dan ook geen verdere plaats geven in dit betoog. Met excuses aan haar…

secundini(4)

Daarmee zitten we nog steeds met ons hoofdprobleem. Want, als Secundus eerder is overleden dan zijn vrouw, waarom staat er dan op het grote opschrift dat hij het grafmonument heeft opgericht voor zijn vrouw en kinderen?

Het oprichten van een grafmonument was een zaak van groot belang in de oudheid. Het ging uiteindelijk om een huis voor de eeuwigheid (het idee van een graflicentie van tien jaar zou onbegrijpelijk zijn geweest) dat bovendien een rol speelde in het voortleven na de dood.

Er circuleerden verschillende ideeën over dat laatste, waarvan een was dat men voortleeft in de herinnering. Maar dat vraagt wel dat die herinnering gewekt wordt, zoals door een groot monument met opschrift dat men dan uiteraard luidop leest zodat men de naam noemt. Enfin, dat heb ik zo net ook al aangeduid.

Vandaar dat sommigen zélf al begonnen met het oprichten van een grafmonument. Er zijn tal van grafschriften bekend die een formulering bevatten dat X (verzwegen: dit monument heeft opgericht) uiuus ‘bij zijn leven’ sibi ‘voor zichzelf’ en voor diverse anderen die dan nog volgen, met naam of ook meer algemeen libertis libertabusque omniumque posteris eorum ‘voor zijn vrijgelatenen (mannen en vrouwen) en hun nakomelingen’.

Met die mooie vorm libertabus waarin een substantief van de a-declinatie de uitgang van de consonantdeclinatie krijgt om het onderscheidt te maken met libertis van libertus mannelijk.

I n de datief en ablatief meervoud hebben nl. libertus (mannelijk) en liberta (vrouwelijk) dezelfde vorm. Eerlijk gezegd, hoort deze vorm tot mijn favoriete vormen in de Latijnse taal, samen met (om even onbegrijpelijke redenen) de archaïsche passieve infinitief op -ier.

Op zich zijn er in de resten van het opschrift zoals die tot ons gekomen zijn geen sporen van iets dergelijks in het geval van Tiberius Claudius Secundus Philippianus. Maar het zou de gemakkelijkste en meest voor de hand liggende oplossing zijn.

secundini(11)

Daarmee komen we tot het volgende verloop: Tiberius Claudius Secundus Philippianus is vrijgelatene van Nero. Hij huwt, in het begin van de Flavische periode Flavia Irene die zelf een vrijgelatenen van Vespasianus was. Mogelijk ‘kenden’ ze elkaar nog uit het paleis… Nog een vrijgelatenenromance ook…

Tiberius en Flavia hebben twee kinderen, een jongen, Tiberius Claudius, en een meisje Claudia. Deze zijn allebei vrijgeboren en dragen dus de namen van Romeinse burgers.

Secundus Philippianus maakt carrière en verdient niet onaardig. Hij besluit om een groot grafmonument op te richten voor hemzelf en zijn onmiddellijke familie. Dit besluit volgt waarschijnlijk na de geboorte van de twee kinderen.

Dan sterft Secundus en wordt hij bijgezet in dat grafmonument. Zijn vrouw richt een standbeeld op dat ofwel bovenop ofwel aan de voorkant van het monument heeft gestaan.

secundini(3)

Niet al te lang daarna sterft op zeer jeugdige leeftijd de veel belovende zoon. Ook voor hem richt zijn bedroefde moeder een beeld op dat bij het grafmonument wordt geplaatst. Over de dochter weten we niets. Van de moeder kunnen we gevoeglijk aannemen dat ook haar as wel in dit monument zal zijn bijgezet.

Schrijver dezes laat u nu gaan. We hebben heel wat werk verzet. De zon schijnt nog steeds. De Via Appia is prachtig. En als het niet lukt om er lijfelijk langs te slenteren, dan maar in de geest. Spiritus flat ubi uult, de geest waait waar hij wil…

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 26 oktober 2020. Bekijk het origineel.