De Catacombe van Sant’Agnese ontstond tijdens de tweede helft van de derde eeuw op de plaats van een gewone begraafplaats aan de oppervlakte.
Of deze ontwikkeling het gevolg is geweest van het martelaarschap van Agnes, staat niet vast, aangezien niemand weet wanneer ze precies gedood zou zijn.
Sommigen zeggen onder Diocletianus in het begin van de vierde eeuw, anderen vermoeden onder Decius (249-251). Dat laatste maakt de meeste kans, omdat de catacomben reeds vóór het begin van de vierde eeuw zijn ontstaan.
Er lijkt verder zelfs geen zekerheid te bestaan waar de heilige precies zou begraven zijn, aangezien Constantina, die haar zeer vereerde, de basilica constantiniana boven haar graf liet bouwen, dus boven regio IV, terwijl paus Honorius zijn nieuwe basilica 300 jaar later oprichtte, ook boven haar graf, maar nu boven regio I. Hieruit volgt dat er wellicht nooit een graf van Agnes heeft bestaan en mogelijk zelfs geen Agnes.
Tussen de Catacombe di Sant’Agnese bestaat een verbinding met een andere naburige catacombe, namelijk de Catacomba Maggiore, waarvan de ingang langs de Via Asmara is gelegen.
Die verbinding kan twee redenen hebben: de nabijheid van de Catacombe van Agnes, doch ook het feit dat in de tweede catacombe het graf zou zijn geïdentificeerd van de Heilige Emerenziana, die als de tweelingzus van Agnes werd beschouwd.
Opmerkelijk is ook het feit dat de gangen van de catacombe van Agnes onder de Via Nomentana gewoon doorlopen, wat door de wetgever verboden was.
De Catacombe di Sant’Agnese werd door de negentiende eeuwse archeoloog Mariano Armellini (1852-1896) onderverdeeld in vier regio’s, waarvan de eerste regio overeenkomt met de oorspronkelijke bovengrondse begraafplaats of cimiterium.
Ze valt samen met de eerste zone van de catacombe die men betreedt via de trap vanuit de honoriaanse basilica en die dateert uit de tweede helft van de tweede eeuw.

De elementen die wijzen op die hoge ouderdom, in vergelijking tot andere catacomben, zijn onder meer de formulering van de inscripties die er teruggevonden zijn en bijzonder eenvoudig zijn geformuleerd.
Ze beperken zich tot de graad van verwantschap, de naam van de overledene en zijn vaak vergezeld van het adjectief dulcis (zacht of zoet), terwijl grote zorg is besteed aan het schrift.
Een tweede element bestaat uit de architectonische typologie, waarbij enkele zogenaamde ‘tombe a mensa’ voorkomen, gevormd door een lange rechthoekige nis, die een sarcofaag, uitgegraven in de tufsteen, bekroont.

Een laatste element dat op die hoge ouderdom wijst, is het voorkomen van brede tussenschotten tussen de loculi onderling, hetgeen voor een weinig intensief gebruik van de galerijen pleit, zeker als we dit vergelijken met de catacomben uit de vierde eeuw, waar de loculi bijna naast en op elkaar gestapeld liggen.
De Regio II is meer afgesneden van de andere door de relikwiejagers uit de middeleeuwen, en ligt er sterk gefragmenteerd bij. Daardoor wordt het uiterst moeilijk om er ons een globaal beeld van te vormen. Zoals de andere regio’s dateert ze hoofdzakelijk uit de vierde eeuw.

Regio III heeft zich ontwikkeld tussen de absis van de honoriaanse basilica (de huidige Basilica di Sant’Agnese) en een zandgroeve in noordelijke richting. Via deze regio staan de catacomben van Agnes in verbinding met de voormelde Catacomba Maggiore, een andere grote catacombe langs de Via Nomentana.
Uit de epigrafie kunnen we afleiden dat dit gedeelte werd gebruikt vanaf het begin tot het einde van de vierde eeuw. Omdat het geheel bedolven lag onder dikke lagen modder, bleven de graven tot de ontdekking door Armellini in de negentiende eeuw perfect bewaard.

Daardoor werden wel heel wat interessante artefacten en vondsten uit de catacombe overgebracht naar de Vaticaanse Musea. Vandaar dat er vandaag, ondanks die goede conservering, in deze catacombe nagenoeg geen enkele wandversiering of fresco te zien is.
Toch zijn er nog enkele zaken overgebleven die een zekere interesse kunnen wekken. Daaronder de inscriptie van een zekere Petrus, naast de afbeelding van de apostel en een dubbel cubiculum met het epitaaf van de alumna.

Er zijn het pleegkind Sabina, die wil begraven worden boven de tombe van haar adoptiefvader (super patronum) en een metrische inscriptie waarin een overleden meisje haar ouders aanmaant niet te wenen over haar gelukkige lotstoestand.
Een mooi object is een olielamp met een monogram, gevormd door de overlapping van de letters P en E, geïnterpreteerd als de wensuitdrukking: Palma elea of Palma feliciter.
Er is ook een monogram van Constantijn in steen, versierd met glazuur en vervolledigd met de inscriptie: in hoc signo Sirici vinces (in dit teken van Siricius zult ge overwinnen).
Het zou kunnen gaan om paus Siricius (384-399), maar ze zijn in ieder geval een parafrase van de beroemde woorden die Constantijn zijn overwinning op Maxentius voorspelden tijdens de slag bij de Milvische brug: in hoc signo vinces, maar die op een legende berusten.

De vierde en laatste regio, is die het dichtst bij het mausoleum van Costanza is gelegen, en die werd ontdekt gedurende de opgravingen in de jaren 1971-1972. Tijdens die opgravingcampagne heeft men kunnen afleiden dat in dit gebied een heidense begraafplaats bestond met mausolea en columbaria, te dateren vanaf de tweede eeuw na Chr.
Door de bouw van de basilica constantiniana werd de necropool vernietigd. De oprichting van dergelijk gebouw stelde daarom een daad van overheersing voor van de kant van de keizer, vermoedelijk uit hoofde van zijn titel van pontifex maximus en is te vergelijken met de vernietiging van de uitgestrekte necropool op de Mons Vaticanus, naar aanleiding van de bouw van de Sint-Pieter in de vierde eeuw.

In Regio IV van de catacombe van Agnes werden talrijke fragmenten van die necropool teruggevonden in het muurwerk en in de trappen van de catacombe.
Daar waren heel wat interessante vondsten bij: een marmeren urnendeksel van heidense origine, vooraan versierd met de borstbeelden van twee jongentjes en opzij met twee rozetten onder de vorm van grote bloembladeren, kleine voorwerpen afkomstig van christelijke graftombes en de oudste antieke inscriptie uit de catacomben van Agnes.
Daarnaast het epitaaf van een zekere Sisinnius uit 341, een uitzonderlijk vrouwenbeeld in zwart marmer, elegant gekleed, maar zonder hoofd en armen, een fragment verguld glas, vermoedelijk een medaillon, waarop een mannelijke figuur staat, gezeten en gekleed in tunica en pallium, met de naam Feilix (sic), die aan het spreken is met een andere, slechts gedeeltelijk zichtbare persoon.

Van de cultus van Sint-Agnes, die bij haar graftombe werd beleden, resteert als eerste getuigenis in chronologische volgorde een marmeren pluteus die centraal de figuur van de martelares vertoont met in gebed opgeheven armen, in korte witte tunica, open aan de zijkant, zoals gedragen door de Romeinen.
Het stuk behoort tot de oorspronkelijke wedersamenstelling van haar graf onder paus Liberius (352-366) en is vandaag te zien aan de zijkant van de grote trap die naar de narthex van de basilica leidt.

Het volgende getuigenis bestaat uit een gedicht dat paus Damasus (366-384) liet aanbrengen op een marmeren plaat en die liet plaatsen bij de graftombe van de heilige.
Later werd ze gebruikt als vloerplaat, toen men blijkbaar al niet meer wist over wie het ging, en ze is nu te zien als inscriptie op de zijkant van bovenvermelde trap. Hierover hadden we het reeds in een vorige bijdrage.
Ten tijde van paus Symmachus (498-514) werd het primitieve sanctuarium getransformeerd tot een soort kleine basilica, een structuur met absis, die ertoe bijdroeg dat een deel van het cimiterium werd vernietigd. Dezelfde paus zou ook reeds hebben voorzien in de restauratie van de toen al bouwvallige basilica constantiniana.
Nadien werd een halfondergrondse basilica, een zogenaamde basilica ad corpus, dit wil zeggen onmiddellijk boven het lichaam van de martelaar, opgericht door paus Honorius (625-638). Deze ad corpus-vorm was ook karakteristiek voor andere basilica’s, zoals die van San Lorenzo en Domitilla.
Via Nomentana 349
https://www.santagnese.net/site/catacombe-mausoleo
catacombe@santagnese.net
Met dank aan
clublid Frans Veevaete
voor deze bijdrage
HET VERHAAL VAN SANT’AGNESE
WAARHEID OF FICTIE?
ACHTERGROND
Hoewel de cultus van de Heilige Agnes, een maagd in haar prille jeugd en martelares, uiterst populair was onder de christenen, vooral die van Rome, al van na de eerste jaren sinds haar verdwijning, steunt haar levensgeschiedenis alleen op uiteenlopende en elkaar tegensprekende bronnen.
Volgens de christelijke traditie zijn er desondanks toch een aantal punten, die onmiskenbaar als historisch moeten beschouwd worden: de naam Agnes komt uit het Grieks en betekent heilig, zuiver, kuis. Het was een naam die in Rome voorkwam onder de liberti, de vrijgemaakte slaven, zodat we in die groep de ouders van Agnes moeten zoeken.
Dit is wat wordt verteld. Haar martelaarschap komt voort uit haar onverzettelijke wil getuigenis af te leggen van haar christelijke geloof. Bij haar dood moet ze tussen 12 en 13 jaar zijn geweest; de dag van haar martelaarschap was 21 januari. De plaats waar haar lichaam werd begraven lag langs de Via Nomentana, op de plaats van de aan haar toegewijde basilica. De tragische gebeurtenis vond plaats tijdens de laatste grote christenvervolging, die onder Diocletianus tussen 303 en 313.
De vervolgingen werden inderdaad uitgeroepen in 303 door Diocletianus, de keizer van het Oosten, op aandringen van zijn Caesar, Galerius, maar op één voorwaarde: dat er geen bloedvergieten aan te pas kwam. Er werden vier edicten uitgevaardigd met toenemende gestrengheid, het laatste eind 304, door Galerius, waarin ook bepaald was dat wie niet offerde aan de heidense goden, ter dood zou gebracht worden.
Dit laatste was er voor Diocletianus te veel aan zodat hij in 305 abdiceerde, samen met de keizer van het Westen, Maximianus. De vervolgingen bleven evenwel doorgaan tot 311, zeker in het Oosten, tot Galerius ziek werd en op aandringen van zijn vrouw, zelf een sympathisante van de christenen, een einde stelde aan de vervolgingen.
Wat we moeten onthouden is dat Diocletianus nooit het bevel heeft gegeven de christenen te doden, dat de eigenlijke aanstoker ervan zijn Caesar, Galerius was, en dat die vervolgingen vooral in het Oosten, in Egypte en in Palestina plaatsvonden.
Onze bronnen zijn hoofdzakelijk Lactantius en Eusebius. Ze berichten er uitvoerig over, maar of er ook in het Westen en dus in Rome vervolgingen waren, is historisch niet bekend, want niemand heeft er over geschreven. Als er geweest zijn dan zullen die in ieder geval een kleinschalig karakter hebben gehad, zodat niemand het de moeite vond erover te schrijven. Het is daarom zo goed als uitgesloten dat Agnes, als ze zou bestaan hebben, ter dood zou zijn gebracht omwille van haar geloof.
Als dit dan toch zou gebeurd zijn, dan zit men er totaal naast door de terechtstelling in de schoenen van Diocletianus te schuiven. Want Diocletianus, de keizer van het Oosten, was afgetreden, samen met zijn collega uit het Westen, Maximianus, die werd vervangen door Constantius, de vader van Constantijn en echtgenoot van Helena, die beiden de christenen goed gezind waren en daarom zeker geen vervolgingen in het Westen zouden hebben georganiseerd.
Dat Agnes twaalf of dertien jaar oud was bij haar overlijden heeft men afgeleid uit het osteologische onderzoek van haar gebeente. Maar in die tijd stierven veel jongeren van die leeftijd, en op een geraamte staat geen naam. Beweren dat haar dood op 21 januari plaatsvond, is volkomen uit de lucht gegrepen, aangezien hierover geen enkel document is bewaard gebleven. Men is daarbij zelfs niet in staat er een jaartal op te kleven.
Agnes werd begraven op een kerkhof langs de Via Nomentana, op een plek waar later een aan haar toegewijd basilica zou verrijzen. Welnu, er werden twee basilica’s aan haar toegewijd, de eerste in de vierde eeuw door Constantina, naast haar graf, een tweede in de zevende eeuw door paus Honorius, boven haar graf.
Als we de plattegrond van het complex bekijken, valt het op dat beide plaatsen bijna 200 m van elkaar verwijderd liggen, wat erop wijst dat men niet goed meer wist waar Agnes precies lag. Tijdens de zevende eeuw moet haar herinnering al zodanig zijn vervaagd geweest, dat de marmeren plaat met het gedicht van paus Damasus uit de vierde eeuw niemand meer aansprak en dat die plaat, ofschoon nu nog steeds in goede toestand, gebruikt werd om er de nieuwe basilica mee te bevloeren, wat op zijn zachtst gezegd het beeld van heiligschennis oproept.
De rest van de argumentatie is waarschijnlijk juist, maar zo algemeen dat die niet op één bepaalde persoon van toepassing is. Er zullen in Rome veel meisjes met de voornaam Agnes hebben rondgelopen, die heel wat minder heilig waren. Samengevat kunnen we daarom stellen dat de argumenten, door de Kerk historisch genoemd, kant noch wal raken. (Frans Veevaete)
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 5 februari 2023. Bekijk het origineel.

