De basilica Santi Giovanni e Paolo

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Omstreeks 410 begon in Rome op de Caeliusheuvel langs de Clivo di Scauro aan de Piazza Santi Giovanni e Paolo de bouw van een basilica, aanvankelijk bekend als de titulus Pammachii. Zij werd opgericht bovenop drie aan elkaar palende woningen: een herenwoning, een woonblok (insula) en een huis ernaast. Deze huizen waren gebouwd, verbouwd en ingericht in de tweede, derde en vierde eeuw. Alleen de gelijkvloerse kamers zijn gespaard gebleven en nu nog te bezoeken onder de kerk. Zij staan bekend als de Case Romane. De voorgevels (ca. 250)  langs de Clivo di Scauro vormen tot vandaag de linkerzijgevel van de kerk.

Volgens een bepaalde hypothese was in het tweede woonblok een christelijke huiskerk gevestigd, wat in een andere hypothese echter wordt ontkend. De vijfde-eeuwse basilica komt inzake omvang overeen met de hedendaagse Santi Giovanni e Paolo. Zij was ontworpen volgens het gangbare concept van de toenmalige basilica-wijkkerk: een middenbeuk met apsis en twee zijbeuken en een portaal (narthex) en/of voorhof (atrium).

Aan de buitenzijde vertoont de basilica zich nog grotendeels zoals ze werd opgericht in het begin van de vijfde eeuw. Het is een bakstenen gebouw zonder architectonische esthetiek. De ingang in de oostelijke voorgevel bestond uit vijf arcaden op vier zuilen (13 m breed en 8 m hoog) en nam de ganse breedte van het middenschip in.

Twee van deze zuilen kan je nog zien in het huidige voorportaal. Deze zuilenrij met arcades (even breed maar minder hoog) herhaalde zich in de façade boven de huidige galerij. Deze constructie betekent het belangrijkste restant van de voorgevel van de oude basilica. De zuilen, met Korintische kapitelen, zijn herbruikt materiaal (spolia), aangevoerd uit depots in de buurt van Rome (wie weet uit Portus, de haven nabij Ostia). Dergelijke zuilen dragen dikwijls nog de sporen van het neerhalen en het vervoeren.

De façade was beschermd door een voorportaal (narthex) of misschien een atrium. Al vlug werd boven deze narthex een eerste verdieping opgericht (te vergelijken met de huidige bovenbouw die van latere datum is) en kort daarop nog eens een tweede verdieping. Van de oorspronkelijke voorbouw is dus niet veel meer te zien.

Het best bewaarde deel van de oude constructie is de middenbeuk die boven de zijbeuken uitrees, met name de lichtbeuk of clerestorium. Deze bevatte aan beide zijden dertien grote vensters met daarboven nog dertien kleine ronde vensters (oculi, ogen). Zij zijn vanaf de Clivo di Scauro in de zuidelijke zijgevel nog na te tellen. De vier rechthoekige vensters zijn van latere datum, evenals de twee steunberen.

De buitengevel van de linkerzijbeuk (langs de Clivo di Scauro) verdient bijzondere aandacht. Deze buitenmuur bestaat zoals gezegd uit de voorgevels van het al vermelde tweede woonblok en het huis, daar ooit opgericht in de tweede helft van de derde eeuw. De portieken en vensters werden dichtgemetseld. Men had namelijk besloten het licht alleen te laten binnenvallen door de dertien vensters en oogvensters van de lichtbeuk. Volgens een bepaalde hypothese was achter een aantal van deze vensters een huiskerk gevestigd.

De apsis (6 m doorsnede) had vier boogvormige vensters. Zij zijn dichtgemaakt omwille van een later aangebrachte lieflijke dwerggalerij die hun bovenste boogvormen afsneed. Voor wie nauwkeurig toekijkt zijn de ‘blinde vensters’ zijn nog te bespeuren. Tegen de apsis leunde een steunmuur aan. Aan het eind van de linkerzijgevel verrees een steunboog met recht bovenstuk.

De basilica was 50 m lang (met apsis) en 30 m breed (met zijbeuken). Zij moet opgevallen zijn door haar hoogte, 23 m (evenals Santa Sabina op de Aventijn, gebouwd in dezelfde tijd, tussen 425 en 435). Zo verkreeg men een optimale lichtinval. De kerk stond langs de oplopende Clivus Scauri (Clivo di Scauro) op de Caeliusheuvel en domineerde ongetwijfeld de omgeving.

Ook in het interieur herkennen we het geëigende plan van een basilica uit de periode vierde-vijfde eeuw. Twee rijen van twaalf zuilen in donkergrijs graniet (herbruik, spolia) droegen de lichtbeuk en vormden de scheiding tussen middenschip en zijbeuken. Deze twee colonnades waren overspannen door dertien bogen. Acht zuilen zijn in de huidige barokkerk nog zichtbaar. Voor deze zuilenrij waren onder de kerk steunmuren nodig, dus in de gelijkvloerse verdieping van de Case Romane. Deze bemoeilijken in enige mate het bezoek aan de site.

Het licht van de bovenvensters viel in de eerste plaats op de muurstrook tussen de bovenrand van de bogen en de onderrand van de vensters. Deze strook (5,5 m hoog) was de aangewezen ruimte voor decoratie. In een collectie opschriften van de abdij van Lorsch (Duitsland) uit de negende eeuw zijn inderdaad acht disticha (dubbelverzen) opgetekend die toebehoorden aan fresco’s in deze lichtbeuk. Het zou gaan om corresponderende afbeeldingen uit het oude en het Nieuwe Testament. Een schittering van mozaïeken zoals in de middenbeuk van Santa Maria Maggiore, in dezelfde tijd gebouwd (paus Sixtus III, 432-440), is het waarschijnlijk niet geweest.

De apsis was onderaan helemaal rondom bekleed met marmer waarboven een kroonlijst een rij zuiltjes droeg, wat leek op een tribune. Zo schreef althans Ugonio in 1588 in zijn boek over de statiekerken (kerken bestemd voor een jaarlijkse viering met paus, clerus en gelovigen samen) in Rome.

Wie bouwde de kerk van de heiligen Johannes en Paulus en wanneer? Volgens de vermelde verzameling inscripties van Lorsch stond bij de ingang van de oude basilica een opschrift waarschijnlijk ter ere van paus Leo I (440-461). Velen nemen aan dat hij de kerk heeft voltooid of schitterend heeft hersteld na een aardbeving in 442. Maar wie is de oprichter geweest? Het antwoord staat op het einde van hetzelfde opschrift: Pammachius.

Velen wijzen onmiddellijk naar een studiegenoot van Hiëronymus (de vertaler van de bijbel in het Latijn), die van 382 tot 385 in Rome verbleef. Pammachius behoorde tot de familie der Furii en werd later senator in Rome. Hij was gehuwd met de dochter van senator Toxotius en Paula die na de dood van haar man (380) zich onder de spirituele leiding stelde van Hiëronymus. Toen Hiëronymus in 385 uit Rome vertrok, bleef Pammachius met hem corresponderen.

Na de dood van zijn vrouw in 397 begon hij een ascetisch leven te leiden en wijdde zich aan de zorg voor de armen. Hij bouwde samen met Fabiola, van patricische huize en eveneens uit de kring van Hiëronymus, een gasthuis (xenodochium) voor noodlijdende pelgrims in Portus aan de monding van de Tiber. In zijn tijd was het christendom in Rome doorgedrongen tot de hogere standen. Het was niet ongewoon dat mannen en vrouwen uit deze kringen een sober leven leidden, zich toelegden op zorg voor de armen en zelfs genereuze bouwprojecten opzetten, zoals bv. kloosters.

Hiëronymus had een dergelijke kring rond zich gevormd. In de brieven van Pammachius echter aan Hiëronymus noch in andere correspondentie komt de bouw van een basilica ter sprake. Daaruit leidt men af dat met de kerk begonnen werd kort voor zijn dood (410) of in opvolging van zijn nalatenschap. Pammachius is later heilig verklaard.

Sommige onderzoekers staan evenwel sceptisch tegenover deze traditie. Niet de vriend van Hiëronymus, maar een onbekende naamgenoot en laatste eigenaar van de Case Romane zou de bouwer zijn van de basilica. Zij stellen de vraag of de vriend van Hiëronymus na het besteden van zijn bezit aan de armen nog in staat is geweest tot zo’n prestigieus bouwproject. Het is voor hen ook niet zo zeker dat het opschrift aan de ingang van de kerk tot paus Leo I gericht was.

Over de bouwperiode verschaft, naast de literaire en epigrafische bronnen, uiteraard ook de archeologie ons informatie. Overeenkomsten qua bouwmaterialen en bouwtechniek met contemporaine basilica’s wijzen eveneens in de richting van de eerste helft van de vijfde eeuw: San Clemente (paus Syricius 384-399), Santa Sabina (begonnen onder paus Celestinus I, 422-431), Santa Maria Maggiore (paus Sixtus III, 432-440), San Sebastiano fuori le Mure (aan de catacomben). In deze kerk is een chrismon aanwezig (met de datum 401-417) dat ook is aangebracht in de rechterzijmuur van de basilica van Pammachius. Het is een typische kerk van begin vijfde eeuw

Hoe zijn de verschillende (opeenvolgende) benamingen van de basilica te verklaren? Er is een evolutie vast te stellen van de vijfde naar de zesde eeuw. Begin vijfde eeuw duikt de naam Byzas/Byzantius op. Hij zou met de bouw begonnen zijn, die daarna werd voortgezet door zijn zoon Pammachius. Zo luidt het althans in de legende van de martelaren Johannes en Paulus. Op een grafschrift uit de tijd van paus Innocentius III (401-417) staat inderdaad de titulus van Byzantius (titulus Byzanti) vermeld.

De term titulus verwijst in Rome naar een huiskerk/kerk waarop de Kerk van Rome een eigendomsaanspraak (titulus) liet gelden. Werd dit “heiligdom” overgedragen (door schenking of nalatenschap) aan de bisschop van Rome dan werd de naam van de donor eraan toegevoegd. Het was niet uitgesloten dat ook een donatie voorzien werd voor b.v. de liturgische uitrusting van de kerk en het onderhoud van de priesters.

In de notulen van de Romeinse synoden van 499 en 595 verschijnt een lijst van dergelijke tituli. De benaming titulus Byzantii (Bizantis) verwijst dan volgens sommigen naar de huiskerk die in de tweede helft van de derde eeuw werd gevestigd in de Case Romane (in een zaal op de eerste en tweede verdieping). Pas begin vijfde eeuw verrees op de plek van de Romeinse huizen (inclusief huiskerk) de basilica; deze werd dan aangeduid met de naam titulus van Pammachius (titulus Pammachii).

Toch staan de twee benamingen nog samen onder de notulen van de synode van Rome in 499. Er bestaat een plausibele verklaring voor. Van de 67 aanwezige priesters ondertekenden twee voor de titulus Pammachi, waaronder Gordianus. Eén priester onderschrijft de tekst namens de titulus Byzanti.

Ook al was op dat ogenblik de voormalige huiskerk samen met de Case Romane al ruim een halve eeuw verdwenen, de ‘kerk’ van Byzas had toch nog een vertegenwoordiging. Zij had blijkbaar nog een eigen zelfstandigheid, een eigen clerus, een eigen vermogen, een eigen gebedsruimte binnen de basilica van Pammachius. Het is niet duidelijk welke de verhouding was tussen Byzas en Pammachius. Zijn het eigenaars geweest van de woonhuizen?

Vanwaar de benaming naar de martelaren Johannes en Paulus? Hun verhaal is verbonden met de korte regering van keizer Julianus de Afvallige (361-363). Julianus was een periode na enkele erg christelijk aangeschreven keizers, Constantijn de Grote en zijn zoon Constantius II, aan de macht gekomen. Hij wou het christendom terugdringen (zonder dat daarbij martelaren vielen) en opteerde voor een levensbeschouwing die uitging van de Hellenistische filosofie.

Volgens het martelarenverhaal was hij uit op het geld van de christenen. Hij hoorde van de soldaten Johannes en Paulus, die lijfwachten geweest waren van Constantina, de dochter van Constantijn de Grote (306-337). Met de rijkdom die zij hun had nagelaten konden zij zich bekommeren om de armen. Julianus wou hen terug in zijn leger en zij moesten hem hun trouw betuigen. Dit weigerden zij. Zij waren christenen en onderwierpen zich niet aan zijn gezag. Een legeroverste, Terentianus, werd naar hun huis gestuurd. Zij moesten voor de keizer bidden en wierook branden. Daar gaven ze geen gehoor aan en zij werden ter plaatse onthoofd en begraven.

Een versie van hun martelarenverhaal staat, al ca. 600, in een manuscript van de abdij van Corbie (Frankrijk). Begin zesde eeuw moet hun verhaal al bekend geweest zijn in Rome. Een belangrijke bron van informatie vormt het Pausenboek (Liber Pontificalis, redactie ca. 530 en ca. 686), waarin het leven en de daden van de pausen staan verteld. Hier duiken de namen Johannes en Paulus op, inderdaad al bij het begin van de zesde eeuw. Paus Symmachus (498-514) liet een trap bouwen buiten tegen de apsis van Johannes en Paulus.

Gordianus, de priester die namens de titulus van Pammachius op de synode van 499 handtekende, kwam om bij schermutselingen (502-506) tussen twee kandidaat-pausen. Hij staat vermeld als een priester van de heiligen Johannes en Paulus. Volgens dezelfde bron nog was zijn zoon Agapetus vóór hij paus werd (535-536) een geestelijke (clericus) in dezelfde kerk van de heiligen Johannes en Paulus. Hij is vooral bekend om de bibliotheek naar hem genoemd, vlakbij de kerk. Men acht het niet uitgesloten dat vader en zoon er de voorkeur aangaven de kerk aan deze patroonheiligen toe te wijden. De benaming zou alleszins in voege gekomen zijn tussen de synode van 499 en de jaren 530.

Het verhaal kon model staan voor enkele situaties en ontwikkelingen in de Romeinse Kerk van de zesde eeuw. De zorg voor de armen was in sommige fortuinlijke kringen in aanzien. Zij konden Johannes en Paulus inzetten als hun groot voorbeeld. Zo zette Pammachius na de dood van zijn vrouw eigen middelen in voor armenzorg, de bouw van een gasthuis in Portus (nabij Ostia) en de bouw van een kerk.

In deze zesde eeuw, de val van het West-Romeinse Rijk was allang achter de rug, stelde de Kerk zich meer en meer onafhankelijk op tegenover de overheid, zoals Johannes en Paulus zich verzetten tegen Julianus. Paus Agapetus (535-536) was naar Constantinopel getrokken en kon keizer Justinianus (527-565) dank zij zijn hardnekkigheid ertoe brengen Anthimus, patriarch aldaar en aanhanger van het monofysitisme (Christus heeft alleen een goddelijke natuur) af te zetten. In deze kringen, in het bezit van ruime estates, was het niet ongewoon eigen familieleden te begraven op eigen terrein, zelfs binnen de grenzen van Rome. Het voorbeeld van de twee dienstknechten van Constantina was dus welgekomen!

Op de Romeinse synode in 595 ondertekent een priester voor de titulus van heiligen Johannes en Paulus. Eind zesde eeuw is de benaming naar de beide martelaren dus een feit. De term titulus voor de kerk blijft verder in gebruik, evenals de verwijzing naar Pammachius.

De kerk is sinds 499 een titelkerk. De Nederlandse kardinaal Willem van Enckevoirt was titulair kardinaal-priester van deze basiliek. Drie pausen hielden deze titel: Cencio Savelli, de latere paus Honorius III, Adriaan Floriszoon Boeyens (1459-1523), de latere ‘Nederlandse’ paus Adrianus VI uit Utrecht en Eugenio Pacelli (1876-1958), de latere paus Pius XII. Sinds de titel in 1947 werd toegewezen aan Francis Spellman, is deze basiliek standaard de titelkerk van de aartsbisschoppen van New York geweest. De laatste houder van de Titulus Santi Ioannis et Pauli (of Titulus Pammachii) was de aartsbisschop-emeritus van New York, Edward Egan. In 2016 werd de Belgische kardinaal Jozef De Kesel titulair kardinaal-priester van deze basiliek.

Dit is een bijdrage van clublid Toon Verhelst. Dit is deel IV van een vijfdelige bijdrage over de Case Romane en de basilica Santi Giovanni e Paolo.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 17 april 2018. Bekijk het origineel.