Er bestaat nogal wat discussie over de herkomst van het woord ‘carnaval’. Volgens sommigen komt het van het Latijnse ‘carne vale’ (letterlijk: ‘vlees, vaarwel’). Anderen wijzen op de Latijnse term ‘carrus navalis’ (letterlijk: ‘scheepskar’), waarbij wordt verwezen naar het narrenschip of misschien wel naar de intocht van de vruchtbaarheidsgoden? Meest waarschijnlijk is dat de term uit het Italiaans of neo-Latijn komt: ‘carne lavare’ of ‘carnem levare’, het ‘wegnemen van vlees’. Waarbij wordt uitgedrukt dat het gedaan is met vlees eten zolang de vasten duurt. Wat allicht ook weer niet helemaal klopt, want toen het woord ontstond at de mens nauwelijks vlees. Het enige wat zeker is, is dat het woord pas in de 17de eeuw in onze taal opdook. En dat ‘vastenavond’ of ‘vastelavond’ eigenlijk mooier klinkt.
Al in de oudheid waren er feesten die iets carnavalesk hadden, zeg maar iets anarchistisch, waarbij de wereld zoals men hem kende, op z’n kop werd gezet. Zo kenden de oude Romeinen nogal wat dergelijke uitspattingen, zoals de Kalendae (nieuwjaarsfeesten), de Saturnaliën (in de derde week van december) en de meer bekende Bacchanalen of Lupercalia (in februari). Deze laatste waren typische lentefeesten, waarbij het einde van de winter en het begin van de lente werden gevierd: vruchtbaarheidsfeesten dus. Niet alleen de vruchtbaarheid van het land werd hierbij afgesmeekt, ook die van de mens. Bij de lupercalia zaten de mannen gehuld in vellen van wolven (lupus) of andere offerdieren de vrouwen achterna met riemen gesneden uit geitenvel (februa). Enerzijds werden met deze roeden de vrouwen ‘gereinigd’ van hun gedane zonden, anderzijds zou de bedoeling zijn de vruchtbaarheid er letterlijk in te rammen. En dat laatste moet je letterlijk nemen, want enig feminisme kwam er toen niet echt aan te pas. Februari staat sindsdien overigens bekend als de reinigings- en vruchtbaarheidsmaand.
Door de verovering van onze streken door de Romeinen raakten dergelijke bizarre feesten en rituelen ook hier verspreid. En bovendien vermengd met de oude, inheemse Keltische en Germaanse vruchtbaarheidsfeesten en lenterituelen. Zo was het na verloop van tijd gebruikelijk tegen het einde van de winter, in ruil voor offergaven, de wintergeesten te laten verdrijven door mannen die daarbij vooral een heleboel lawaai maakten. Daar kwamen ook verkleedpartijen aan te pas, waarbij de voorouders en de wintergeesten uitgebeeld werden. De termen ‘vasten’ en ‘vastenavond’ zouden volgens linguïsten zelfs terug kunnen gaan op het oudgermaanse ‘faseln’, wat ‘vruchtbaar maken’ betekent, en in uitbreiding – dankzij de feesten daarrond allicht – ook ‘gek doen’.
Zoals dat ook bij heel wat andere ‘heidense’ gebruiken is gebeurd, werden de Gallo-Romeinse lentefeesten door het zich steeds verder verspreidende Christendom ingepikt. Het valt niet moeilijk te begrijpen dat de jonge Kerk het nogal lastig had met het anti-autoritaire aspect van de lentefeesten. We moeten daarom de inpassing van de vruchtbaarheidsriten in het vastenavondgebeuren zeker gedeeltelijk zien als een poging van de Kerk om ze te kunnen beheersen. Anderzijds kon zelfs een instituut als de Kerk dit oude volksgebruik niet tegenhouden. Dat vastenavondvieringen in georganiseerd verband het eerst opdoken in kloosters en kapittelkerken hoeft niet te verbazen: de strikte hiërarchie van de Kerk smeekte er gewoon om eens een keertje op de kop gezet te worden. Bovendien was het strenge en sobere religieuze leven voor sommigen nauwelijks draaglijk, wanneer daar niet één keer per jaar een “geleide uitspatting” tegenover stond.
Aanvankelijk waren vooral scholieren en lagere clerus ontvankelijk voor de ‘zottenfeesten’ waarin de rangordes werden omgekeerd en er in overvloed werd gedronken en gegeten. Deze zottenfeesten waren zeker verwant aan gebruiken op Onnozele-Kinderendag en Sinterklaas waarbij de scholieren zelf een bisschop verkozen, die op een enigszins gewijzigde manier vereerd werd: door vals te zingen, door keukenlatijn te declameren, door urine in plaats van wijwater te gebruiken enz. Later namen ook de hogere standen deze gebruiken over, die steeds buitensporiger en obscener werden. Zodanig zelfs dat in de late middeleeuwen regelmatig verboden uitgevaardigd werden door de kerkelijke overheden om bepaalde losbandigheden in te dijken. Het ging er dan ook vrij liederlijk aan toe – zeker als je bedenkt dat het hier voornamelijk om geestelijken ging: ronddansen in de kerk, verkleed als vrouw of muzikant, zingen van schunnige liederen zingen, nabootsen van processies, waarin exhibitionisme niet afwezig bleef, enz…
Van de nep-processies tot het carnaval op straat: het is een kleine stap. Door de jaren en eeuwen heen krijgt het eens religieus (bedoelde) feest een profaner karakter. Het idee erachter is typisch menselijk: zich nog eens goed laten gaan alvorend de vasten te moeten ingaan. De vraag die we ons daarbij onmiddellijk kunnen stellen: waarom blijft dit gebruik vandaag dan nog behouden als er nog nauwelijks of niet wordt gevast voor Pasen? Dat carnaval steeds minder verband houdt met de vasten, is zowel zichtbaar in het huisgezin (waar nog nauwelijks op Vette Dinsdag vastenavond wordt gevierd) als in het straatbeeld: carnavalsstoeten slingeren zich door de dorpen en steden tot lang na het vastenavondweekend, dwars doorheen de vastenperiode.
Het antwoord is eenvoudig: de commercie heeft een flinke greep gekregen op het feest: de stoeten zijn alleen mogelijk door reclamewagens te laten meerijden, er is de uitgebreide handel in carnavalspullen, kledij en zelfs complete wagens. Men kan dat (zoals tegenwoordig ook de meer belangrijke feesten als Kerst of Pasen door de middenstand geclaimd worden) betreuren, maar zonder hen zou het gebruik misschien al lang verdwenen zijn. Of misschien ook niet: ten noorden van Rijn en Maas wordt nog nauwelijks carnaval gevierd, dus moet het allicht toch iets met de rooms-katholieke achtergrond van de feestvierder te maken hebben…
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 26 februari 2009. Bekijk het origineel.

