Bioparco di Roma viert 100ste verjaardag

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

De Giardino Zoologico di Roma, tegenwoordig beter bekend als het Bioparco di Roma, viert dit jaar zijn 100-jarig bestaan. Het eerste feestje werd vorige week al gehouden en ook de eerste publieke activiteiten van dit jaar zijn al achter de rug. Er zullen in de loop van 2011 echter nog heel wat speciale initiatieven volgen. Je zal er regelmatig meer over lezen op de website van het dierenpark. De dierentuin van Rome heeft zijn ontstaan te danken aan Carl Hagenbeck, een Duitser die in 1908 in Rome arriveerde. Hij had in zijn land ervaring opgedaan met de ontwikkeling van de Zoologischer Garten van Hamburg. De Romeinse Giardino Zoologico zou in dezelfde stijl worden ontworpen: brede groene ruimtes en brede waterkanalen in plaats van de klassieke kooien en afsluitingen om de dieren op een veilige afstand te houden. Als locatie werd aanvankelijk gekozen voor een gebied van 12 ha in het noorden van Villa Borghese. Vandaag is het park al 17 ha groot.

Veel citytrippende bezoekers zullen er wellicht nooit aan toekomen, maar een bezoek aan de Romeinse dierentuin is best interessant, zeker samen met je kinderen. De Bioparco – Giardino Zoologico di Roma is één van de oudste dierentuinen in Europa en is de voorbije honderd jaar enorm geëvolueerd. Vandaag is Bioparco veel meer dan alleen maar een dierentuin. Nochtans is het ooit anders geweest.

De aanvankelijke bedoeling was louter amusement, met een klassieke collectie wilde dieren, als attractie voor de bezoekers. Gaandeweg wijzigde het concept van het dierenpark en vandaag is de Bioparco Roma actief betrokken bij allerlei natuurkundige experimenten en wetenschappelijke onderzoeken. De dierentuin heeft een oppervlakte van ongeveer 17 hectare en bevindt zich in het noordelijke gedeelte van de Villa Borghese. De officiële opening had plaats op 5 januari 1911 door burgemeester Nathan.

De dierentuin is zoals gezegd volledig gebouwd op initiatief van Carl Hagenbeck, die zijn carrière was begonnen als een nogal fanatieke dierenhandelaar. De architectuur was van Lehmann en Eggenschwiller. Hagenbeck had samen met enkele anderen een paar jaar eerder vorm gegeven aan de zoo van Hamburg, die gebouwd was volgens een voor die tijd volledig nieuw concept, waarbij de dieren niet meer louter werden tentoongesteld in klassieke kooien.

In die tijd werd een dierentuin beschouwd als een soort levend museum en van de tentoongestelde dieren was het voor veel mensen eigenlijk alleen maar belangrijk om te weten of ze eetbaar waren. Daarbij ontbrak ook elke commerciële strategie. Veel verstand van dieren had Hagenbeck niet. Zo ontwierp hij een ijsberenverblijf, waar meteen maar allerlei soorten pooldieren bij elkaar werden gezet, gaande van zeeleeuwen tot zeehonden en waar je het kon meemaken dat pinguïns van de Zuidpool naast ijsberen van de Noordpool moesten leven. Er werd geen enkele poging gedaan om dieren uit dezelfde wereldstreek naast elkaar te plaatsen of het publiek zelfs maar te informeren van waar de dieren precies afkomstig waren.

Maar veel beter dan Hamburg leende het warmere Rome zich voor het idee zoals Hagenbeck dat voor ogen had: fraaie decors en panorama's, met een spannende tropicale beplanting die de meeste dierenverblijven en gebouwen konden verbergen, de greppels, sloten en schaarse hekken zo goed als onzichtbaar maakten, zodat het publiek de dieren in een "echte" natuurlijke omgeving konden bekijken. Bovendien kreeg hij daarvoor een oppervlakte van 12 hectare ter beschikking. Dat bleek een voltreffer. Hagenbeck lukte in zijn opzet en de Romeinse zoo groeide in korte tijd uit een van de belangrijkste in Europa en wist in aanpak, stijl en schoonheid moeiteloos de in die tijd belangrijke dierentuinen, waaronder deze van Berlijn en Parijs te overklassen.

Na de eerste, erg succesvolle jaren, bleek al gauw dat het concept weliswaar wel mooi, maar niet blijvend was. Bezoekers wilden regelmatig nieuwe dieren en decors zien en bleven thuis toen vernieuwingen uitbleven. Dat bleek ook onbetaalbaar. De dierentuin begon zich dan ook al gauw toe te leggen op een beperking van de collectie maar schonk gaandeweg meer aandacht aan de zeldzaamheid van de soorten, dieren die je zelfs in het wild slechts met moeite te zien krijgt.

Dat sloeg opnieuw aan en het dierenverblijf werd vanaf 1926 verschillende keren uitgebreid. Ook werd beslist de beschikbare oppervlakte met 5 hectare te vergroten. In 1933 mocht architect Raffaele De Vico aan de slag met het nieuwe gebied dat twee jaar later werd geopend, met als blikvangers een enorme vogelkooi en een reptielcentrum. De nieuwe hoofdingang van de dierentuin werd ontworpen door Armando Brasini, die aan de Via Saverio Mercadante is van De Vico

De Romeinse dierentuin won snel aan populariteit maar de tweede wereldoorlog bleek nefast voor het beheer van de zoo en ook het aantal bezoekers daalde fors. Na de oorlog werd duidelijk dat dat veel onderdelen van de dierentuin vanaf nul moesten worden heropgebouwd. Een forse herstructurering was nodig en de gevolgen zouden zich tot vele jaren later laten voelen. Zo moest in 1970 het reptielencentrum de deuren sluiten, al was dat ook omdat de overheid inmiddels nieuwe regels had opgelegd voor het houden van reptielen. De ombouw duurde negen jaar en pas in 1983 opende de nieuwe structuur.

In 1994 groeide het idee om de Romeinse Bioparco ingrijpend te transformeren. Door het aanhoudende verlies, het gebrek aan financiële middelen, de matige steun van de overheid en het dalende aantal bezoekers leek de zoo ten dode opgeschreven indien er niet werd ingegrepen. In 1997 presenteerde de Stichting Gilman de structuur en de richtlijnen voor de uitbouw van Bioparco. In april 1998 werd de vennootschap Bioparco SpA opgericht, met de stad Rome als voornaamste aandeelhouder (51%) en als andere voornaamste vennoten de Costa Edutaiment SpA (39%) en de Cecchi Gori Holding Ltd. (10%).

Zij gingen uit van een eenvoudige statistische berekening: wereldwijd bezoeken jaarlijks ongeveer 600 miljoen mensen een dierentuin, waarvan 100 miljoen in Europa. Mits een goed uitgebouwde infrastructuur, die zou gebruikt kunnen worden om de mensen bewust te maken van de milieuproblematiek en het belang van natuurbehoud en tegelijk het grote publiek kan informeren over diverse aspecten van de natuurkunde, zou dat moeten lukken. Het directe, emotionele contact met de dieren zou die materie voor de bezoekers wat spannender moeten maken.

De aanpak lukte. De Romeinse Bioparco werd voor het eerst uitgebouwd als een echt bedrijf. De dierentuin kreeg een nieuwe directie, er kwam nieuw personeel, waaronder wetenschappers, biologen en een dierenarts. Het doel was niet meer louter vermaak, maar wetenschappelijk-cultureel. Er werd een professionele public relations-dienst uit de grond gestampt die de communicatie met het grote publiek moest verzorgen en zich vooral zou richten op jonge bezoekers en scholen. Samen daarmee werd ook een afdeling verkoop en marketing opgericht, evenals een technische afdeling die meteen de praktische haalbaarheid en kostprijs kon evalueren van de nieuwe ideeën die uit de hoofden van de marketingploeg kwamen. 

Vandaag is de Bioparco di Roma een begrip geworden. De moderne dierentuin is nu een bedrijf dat als het ware werkt volgens de hoogste industriële normen. Het is een zoo die met educatie en wetenschap bezig is en die stukje bij beetje moderniseert. Dat wil zeggen, minder diersoorten, meer dieren van één soort in grotere verblijven en in het geval van het Zuid-Amerikaans faunagebied met een mix van dieren afkomstig uit dezelfde wereldstreek.

Bioparco krijgt de steun van diverse instanties voor onderzoek en natuurbehoud. Het bedrijf levert een waardevolle bijdrage aan de bescherming en het behoud van diersoorten die dreigen uit te sterven, niet alleen door middel van onderzoeksprojecten en instandhoudingprogramma's, maar ook en vooral, door middel van het informeren van de bezoekers. Voorts worden regelmatig congressen en seminarie
s georganiseerd waar de meest actuele informatie en onderzoeksresultaten worden doorgespeeld aan collega's uit de hele wereld.

Bioparco – Giardino Zoologico di Roma herbergt momenteel zo'n 230 verschillende diersoorten (in totaal ruim 1.200 dieren), waaronder reptielen, vogels, zoogdieren en amfibieën, wat de bezoekers en wetenschappers een uitstekende mogelijkheid geeft om deze dieren te bestuderen. De diverse onderzoekprojecten hebben als doel kennis uit te wisselen met andere dierentuinen, de welvaart van de dieren in Bioparco te verbeteren en om de wilde dieren, die veelal met uitsterven worden bedreigd, te beschermen.

Het onderzoek is noodzakelijk om de natuurlijke leefomgeving van de verschillende diersoorten zoveel mogelijk na te bootsen, zodat de dieren zich zoveel mogelijk thuis voelen en natuurlijk gedragen. De Romeinse dierentuin is de voorbije jaren dus volledig getransformeerd van louter vermakelijkheid tot een wetenschappelijk, educatief en cultureel centrum, met als grootste doel dieren te beschermen in hun oorspronkelijke, natuurlijke omgeving.

Bioparco – Giardino Zoologico di Roma
Viale del Giardino Zoologico, 20
00197 Rome

Tel: (39) 06 36 08 211
Fax: (39) 06 32 07 389

infoscuola@bioparco.it

www.bioparco.it

http://giardinozoologicodiroma.it/index.html

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 21 januari 2011. Bekijk het origineel.