Achtergrond bij de muntschat van Maastricht

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Diverse media hebben de voorbije dagen ruime aandacht geschonken aan de ontdekking van een Keltische muntschat in Maastricht. U las het bericht ook al eerder op deze plaats. We besteden graag wat extra aandacht aan deze bijzondere vondst. De schatvondst uit de 1ste eeuw voor Christus telt in totaal 109 munten en bestaat uit 39 goudstukken toegeschreven aan de Eburonen en 70 zilveren zogenaamde ’regenboogschoteltjes’ afkomstig van stammen uit het Rijngebied. De vondst is de eerste Keltische goudschat van Nederlandse bodem en heeft grote cultuurhistorische betekenis. De munten dateren uit de tijd van de Romeinse invallen in dit gebied door Julius Caesar. De toenmalige bewoners van dit gebied verzetten zich hevig tegen de Romeinse veroveringstochten. In hun strijd tegen de Romeinen zochten ze bondgenoten uit onder andere de Rijnzone. De muntschat kan een uitruil zijn geweest in dat bondgenootschap.

In De Bello Gallico, het boek van Julius Caesar, wordt ook vermeld dat de Eburonen in 54-53 v. Chr. steun hebben ontvangen van Germaanse bondgenoten uit de Rijnzone. De goudschat is dus waarschijnlijk door een individu verborgen tijdens deze hectische periode van Caesars’ strijdtocht. De muntschat is destijds begraven in een ca. 65 cm diepe kuil. Ze bevonden zich vermoedelijk in een buidel van leer of textiel. Opmerkelijk is dat in de directe omgeving van de schat geen andere sporen van bewoning zijn aangetroffen. De schat lijkt destijds begraven op een onbewoond terrein. De verzameling munten is schoongemaakt, gerestaureerd en geconserveerd. De stad Maastricht is eigenaar van 80 munten. De overige munten heeft Maastricht in bruikleen gekregen van verschillende detectoramateurs. Er wordt bekeken waar en hoe de muntschat in de toekomst permanent kan worden tentoongesteld.

In het voorjaar van 2008 deed detectoramateur Paul Curfs op een akker in de wijk Amby ten oosten van Maastricht de ontdekking van zijn leven: enkele gouden en zilveren Keltische munten uit de 1ste eeuw voor Christus. De vondsten werden aangemeld bij de stedelijke archeologische dienst van Maastricht. Hierop volgend meldden diverse andere detectoramateurs ook hun muntvondsten op deze locatie: de teller stond opeens op een totaal van 24 munten. Een deskundige op het gebied van Keltische samenlevingen, professor dokter Nico Roymans van de Vrije Universiteit Amsterdam, werd ingelicht en er werden afspraken gemaakt om de akker waarin de munten zich bevonden verder te onderzoeken.

De kernvragen bij het archeologisch onderzoek waren: betreft het hier de resten van een muntschat en zo ja, wat is de archeologische context van de schat. Een muntschat zou bijvoorbeeld binnen een nederzetting begraven kunnen zijn, maar evengoed achtergelaten op een cultusplaats of een grafveld in de bodem. Samen met archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam en detectoramateurs Paul Curfs, Ed Heitzer en Richard Speets voerde de stad Maastricht in oktober 2008 een kleine opgraving uit op de betreffende locatie. Een vlak van ongeveer 15 bij 30 meter werd zorgvuldig onderzocht. Hierbij werden inderdaad de resten van een muntschat aangetroffen.

De schatvondst telt in totaal 109 munten en bestaat uit twee verschillende munttypen: 39 goudstukken die worden toegeschreven aan de Eburonen en 70 zilveren ‘regenboogschoteltjes’, afkomstig van stammen uit het Rijngebied. De gouden munten vertonen aan de voorzijde een triskeles of driebeen en op de keerzijde een paardje. Dit munttype wordt in het midden van de 1ste eeuw voor Christus gedateerd op basis van het lage gewicht en goudgehalte en de associatie met andere late munten in de schatvondsten van Heers en Fraire (België). Uitgaande van deze datering en hun spreiding over Zuidoost Nederland en Centraal België mogen de munten aan de door Caesar vermelde Eburonen worden toegeschreven. Onzeker is waar zij zijn geslagen. Afgaande op het huidige verspreidingspatroon mag primair worden gedacht aan de regio Tongeren/Maastricht. Het gaat hier dus om een lokaal munttype.

De Rijnlandse ‘regenboogschoteltjes’ tonen aan de voorzijde eveneens een driebeen en een piramide van ringen en puntcirkels aan de keerzijde. Aan de keerzijde bevinden zich tevens vaak kleine bijtekens van allerlei vorm. De munten zijn van zilver, doch steeds vermengd met wat goud. Sommige varianten lijken afkomstig uit het Duitse Hessen, met name de hoogteversterking (oppidum) op de Dünsberg. Andere varianten zijn vermoedelijk geproduceerd in het Nederlandse rivierengebied, wellicht door de Bataven. In de schat van Amby zijn alleen vroege varianten aanwezig die in het midden van de 1ste eeuw voor Christus gedateerd kunnen worden. Deze munten zijn dus van elders ‘geïmporteerd’.

De in Amby geborgen munten zijn geslagen rond het midden van de 1ste eeuw voor Christus. Aangezien alle munten sporen van slijtage vertonen, kan de uiteindelijke begraving van de muntschat wat later hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld in de jaren 40 voor Christus. Gezien de datering van de muntschat mogen we deze verbinden met Caesars’ veroveringstochten en het droevige lot dat de Eburonen toen trof. Dit volk is vooral bekend van zijn anti-Romeinse opstand van 54 voor Christus onder leiding van koning Ambiorix, die aanvankelijk een Romeins leger wist te verslaan. Hierna volgde echter een reeks niets ontziende wraakcampagnes van Caesar tegen dit volk, waarbij – als we de Romeinse generaal mogen geloven – de Eburonen vrijwel werden uitgemoord.

Volgens historische bronnen gebruikten Kelten en Germanen geld niet als betaalmiddel, maar vooral als statussymbool. De samenstelling van de muntschat van Amby wijst op contacten tussen Eburonen en Germaanse groepen uit de Rijnzone. We kunnen hier denken aan bondgenootschappen tussen stamleiders, waarbij ook grote partijen munten werden uitgewisseld. Opmerkelijk is dat Caesar dergelijke intertribale allianties expliciet vermeldt: de Eburonen zouden in 54-53 v. Chr. steun hebben ontvangen van Germaanse bondgenoten uit de Rijnzone (De Bello Gallico 5.27, 6.5). Ook direct na beëindiging van de Gallische oorlogen (51 v. Chr.) blijven er nauwe relaties bestaan tussen de bevolking van de regio Tongeren/Maastricht en Germaanse groepen in het Rijnland. Tacitus vermeldt immers dat de stam der Tungri (met Tongeren als hoofdplaats) van Germaanse origine was, afkomstig uit de Rijnzone. Tegen deze achtergrond is het een intrigerende hypothese dat de goud/zilverschat van Amby door een individu verborgen is tijdens de hectische periode van Caesar’s verovering of de direct daarop volgende jaren.

Een historische bron uit de 1ste eeuw voor Christus, namelijk Diodorus Siculus in zijn Bibliotheca Historica boek V 27, verhaalt over de relatie tussen de Kelten en goud: “In het gebied van de Kelten wordt in het algemeen geen zilver gevonden, maar wel veel goud, dat de bewoners winnen zonder dat men daarvoor schachten hoeft te graven of op een andere wijze hard hoeft te werken. Want de rivieren, die zich in scherpe bochten kronkelen, doen van de bergen langs hun oevers grote steenblokken afvallen, die vol goudstof zijn. Dat stof wordt door mensen, die zich speciaal met dit werk bezighouden, verzameld, doordat deze lieden de steenbrokken fijnmalen of breken, waarin het goudstof zit. En nadat ze met water alle verontreinigingen eruit gewassen hebben, brengen ze de goudkorrels voor het smelten naar de oven. Op deze wijze vergaren zij een grote hoeveelheid goud, die tot sieraden verwerkt wordt, niet alleen voor vrouwen maar ook voor mannen. Om hun polsen en armen dragen zij gouden armbanden en om hun hals zware, dikke ringen van massief goud, evenals aan hun vingers. Wat de aan hun goden gewijde gebieden betreft hebben de Kelten in het noorden een bijzondere en ongelooflijke gewoonte: ze hebben in hun heiligdommen en op heilige “gronden” veel goud gedeponeerd. Geen van de bewoners zou dat goud uit respect voor de goden ooit aanraken, ofschoon de Kelten helemaal gek op goud zijn.”

Voor het vervaardigen van gouden munten werden gietvormen uit klei benut. In platen van klei werden dicht bij elkaar verdiepingen van gelijkmatige grootte aangebracht. Goudsporen in deze holtes bewijzen dat de Kelten daarin goudstof tot grotere goudplaatjes smolten. Na het afkoelen van het edelmetaal werden de goudplaatjes uit de platen geslagen. Met behulp van stempels werden deze plaatjes tot munten geslagen. Op die manier ontstonden zowel platte als schotelvormige munten (de zogenaamde regenboogschoteltjes).

De schatvondst uit Amby vormt in meerdere opzichten een uniek document voor de Nederlandse archeologie: het is de eerste Keltische goudschat van Nederlandse bodem, gezien de late datering van de muntschat – midden eerste eeuw voor Chistus – mag een verband worden gelegd met Caesars’ Gallische veroveringen en de vernietiging van de Eburonen en bovendien wijst de gemengde samenstelling van de muntschat op contacten tussen Eburonen en Germaanse groepen in de Rijnzone. Er wordt nog onderzocht of en hoe de collectie in de toekomst permanent bezichtigd kan worden.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 24 november 2008. Bekijk het origineel.