In Rome is de aanslag herdacht die 25 jaar geleden op paus Johannes Paulus II werd gepleegd. Duizenden mensen liepen mee in een processie naar het Sint Pietersplein ter nagedachtenis aan de bijna geslaagde poging van de Turk Mehmet Ali Agca op 13 mei 1981 om de toenmalige kerkvader te vermoorden. Bij de herdenking werd per helikopter een beeldje van de heilige Madonna van Fatima ingevlogen waarin een kogel is verwerkt die de paus heeft getroffen. Johannes Paulus II heeft altijd gezegd dat hij de aanslag heeft overleefd dankzij de tussenkomst van de Portugese heilige. Paus Benedictus XVI kondigde ondertussen aan dat op het Sint Pietersplein, op de exacte plaats waar de vorige paus werd neergeschoten, een marmeren plaquette zal worden geplaatst.
Inmiddels bevestigen recent opgedoken documenten van de voormalige Oost-Duitse inlichtingendienst Stasi, het vermoeden dat de aanslag op het leven van paus Joannes Paulus II in 1981 in opdracht van het Komitet Gosudarstvennoi Bezopasnosti (zeg maar de KGB) werd uitgevoerd. Uit deze documenten blijkt dat de KGB via de Bulgaarse geheime dienst opdracht gaf voor de aanslag en daarbij tevens het bevel gaf alle sporen daarvan uit te wissen. Volgens de Italiaanse krant Corriere della Sera vertrouwde de Bulgaarse geheime dienst de opdracht uiteindelijk toe aan Turkse extremisten. Dit moest dienen als rookgordijn. Deze stelling levert hoe dan ook een logische en plausibele verklaring waarom de moordenaar Ali Agca, die de mislukte aanslag uitvoerde, daarna nog wekenlang in een hotel in Sofia kon verblijven. De Oost-Duitse inlichtingendienst Stasi nam de coördinatie voor de hele actie op zich.
Johannes Paulus II speelde destijds immers hoog spel. Wat zijn voorgangers nooit hadden durven dromen, dééd Karol Wojtyla gewoon: hij reisde naar zijn vaderland achter het IJzeren Gordijn en zette heel Polen op zijn kop. In een week tijd bracht hij tien miljoen landgenoten op de been. Hij legde de kiem voor een onstuitbare tegenbeweging die uiteindelijk het hele communistische machtsblok ten val zou brengen. Onophoudelijk eiste hij eerbiediging van de menselijke vrijheden van godsdienst, geweten, vergadering. Tegelijk temperde hij het Poolse vakverbond Solidarnosc toen hem duidelijk werd dat het Kremlin erg zenuwachtig begon te worden.
Met een combinatie van vastberadenheid, wil tot dialoog en diplomatie, maar zonder vijanddenken, bracht hij het systeem aan het wankelen. Waar communistische regeringen de Kerk bleven dwarszitten, ‘dreigde’ hij letterlijk op bezoek te komen. Die gingen de mogelijke confrontatie met grote mensenmassa’s liever uit de weg. Polen kondigde de staat van beleg af en stelde een generaal aan als president. De geheime dienst vermoordde ondertussen priester Jerzy Popieluszko als signaal naar Rome en de verboden vakbond Solidarnosc, waaraan de priester was verbonden. Na de val van de Berlijnse Muur raakte bekend dat de Sovjets inderdaad op het punt hebben gestaan de macht in Polen over te nemen.
Volgens de Corriere della Sera werden de gevonden voormalige DDR-documenten ondertussen doorgespeeld aan Bulgarije. De woordvoerder van de Bulgaarse regering Dimitar Tzonev, kondigt aan dat men die documenten ter beschikking wil stellen van een Italiaanse parlementaire onderzoekscommissie. Die tracht nog steeds zicht te krijgen op de activiteiten van de voormalige Oost-Europese inlichtingendiensten in Italië.
De commissie besloot naar aanleiding van het boek van Johannes Paulus II, tot een heropening van het onderzoek. De vorige paus geeft in dit boek ‘Herinnering en Identiteit’, details en persoonlijke indrukken van de moordaanslag. Commissielid Enzo Fragala looft de Bulgaarse regering omdat ze wil meewerken aan het onderzoek en bereid is daarvoor de geheime archieven open te stellen. De commissie wil vooral uitvissen of Agca het wapen voor de aanslag rechtstreeks van de KGB kreeg. Sommige ‘staatsvijanden’ werden door de Bulgaren nog drastischer aangepakt.
Een bekende zaak dateert uit 1978, toen de Bulgaarse geheime dienst assistentie vroeg van de KGB om de uitgeweken schrijver en radiojournalist Georgi Markov te liquideren. Markov werd bij een Londense bushalte vermoord door een onbekende die met een paraplu een vergiftigd kogeltje afschoot. De bedoeling was dat dit niet ontdekt zou worden, want het kogeltje moest binnen 24 uur in het lichaam oplossen. De aanslag werd echter klungelig uitgevoerd, waardoor de betrokkenheid van de opdrachtgevers toch aan het licht kwam.
Nog volgens de Corriere della Sera bevatten de documenten vooral instructies van de Stasi aan de Bulgaarse diensten om de sporen van de aanslag uit te wissen en elke Bulgaarse betrokkenheid te ontkennen. Agca, die op 13 mei 1981 op het Sint-Pietersplein in Rome het vuur opende op de paus, verklaarde in een interview met La Repubblica dat hij voorafgaand aan zijn daad hulp kreeg van enkele priesters en kardinalen in het Vaticaan zelf. Maar de Turk heeft al vaker tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de aanslag. In hetzelfde interview beweert hij overigens dat “niemand ter wereld van mijn poging afwist”. Kardinaal Roberto Tucci, de voormalige organisator van de pausreizen, vertelde eerder al op de Vaticaanse radiozender dat men zeer wantrouwig moet staan tegenover de verklaringen van Agca.
Paus Johannes Paulus II raakte op 13 mei 1981 bij de aanslag van de Turkse terrorist Ali Agca op het Sint-Pietersplein in Rome levensgevaarlijk gewond aan de onderbuik. Tot afgrijzen van de veiligheidsdiensten en lijfwachten, begaf de nieuwe paus zich wekelijks ongedwongen onder de menigte op het Sint-Pietersplein, nam kinderen op de arm, zong liedjes mee en drukte ontelbare handen. De veiligheidsdiensten hadden reeds in december 1979 een eerste aanslag op de paus kunnen verijdelen. Een geestelijk gestoorde Italiaan probeerde toen met een mes het Vaticaan binnen te dringen. In november 1980 was er een gelijkaardige poging, eveneens in het Vaticaan. Ook deze aanslag kan verijdeld worden.
Maar een jaar later was het raak. De toen 23-jarige Turk Mehmet Ali Agca schoot de paus drie kogels in het lichaam. Eén van de drie kogels doorboorde de buikholte van de paus. Als hij tien minuten later per ambulance aankomt in het Gemelli-ziekenhuis heeft hij driekwart van zijn bloed verloren en zijn zijn bloeddruk en hartslag bijna weggevallen. Terwijl zijn privésecretaris hem de laatste sacramenten toedient, beginnen de chirurgen aan een operatie die vijf en een half uur zal duren.
Ze verwijderen 55 centimeter ingewanden, hechten de geperforeerde dikke darm, en leggen een tijdelijke kunstmatige anus aan. Ondertussen stuurt het ziekenhuis ijlbodes rond naar de andere Romeinse ziekenhuizen, om bloed te zoeken. De Gemelli-kliniek beschikt immers niet over de benodigde liters van het zeldzame A-negatief bloed van de paus. De paus krijgt na de operatie nog een virus-infectie, maar herstelt verrassend snel en kan reeds op zondag 8 juni opnieuw zijn zegen geven voor het raam van zijn werkkamer.
Als hij op 15 augustus voor het eerst opnieuw op het Sint-Pietersplein verschijnt, begeeft hij zich meteen in het publiek om handen te schudden. In december 1983 bezoekt hij Agca in de Rebibbia-gevangenis van Rome, waar deze een levenslange gevangenisstraf uitzit. Na een gesprek van twintig minuten zegt de paus : “Ik heb gesproken met een broeder”. De paus wijt het feit dat hij die moordaanslag overleefde aan de tussenkomst van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 16 mei 2006 op het Romenieuws-archief.

